OranjelogoDe Huizen van Oranje en NassauNassau
Ontstaan der Nederlanden
Vlag BelgieVlag NederlandGouden KroonVlag LuxemburgVlag Duitsland

Het ontstaan der Nederlanden

Verenigd Koninkrijk der Nederlanden

Het tegenwoordige Nederlandse landschap is grotendeels gevormd in de laatste 150.000 jaar. De laatste duizend jaar is voornamelijk de bewoning
van grote invloed geweest op het landschap, met name door de aanleg van polders en dijken. Dit heeft grote invloed gehad op de geschiedenis,
onder meer door de collectiviteit die noodzakelijk was bij de bescherming van het in gebruik genomen land tegen het water. Dit heeft voor een
bestuur en mentaliteit gezorgd die mede heeft bijgedragen aan het latere succes van de Nederlandse handel, waarbij ook de
geografisch gunstige ligging aan zee en waterwegen van groot belang was.

Vóór de negentiende eeuw bestond er in dit deltagebied geen eenheidsstaat en tot die tijd kenden de gewesten in deze contreien ieder hun eigen
bestuur en regeringsvorm. Deze gewesten hebben door de geschiedenis heen dan ook wisselende onderlinge relaties gehad, soms samenwerkend,
soms rivaliserend. Er waren een aantal belangrijke keerpunten waaronder de Opstand, vaak aangeduid als de meer omvattende Tachtigjarige Oorlog,
met zijn onder de naam Plakkaat van Verlatinghe bekendstaande onafhankelijkheidsverklaring; de opvolgende periode van grote voorspoed in de
Gouden Eeuw.De Franse tijd die het einde betekende van de toen reeds langdurig in verval zijnde Republiek en de oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden in 1815 daarna alsmede de Belgische revolutie van 1830 resulteerde in een Nederland in de min of meer huidige vorm.

De geschiedenis van Nederland werd het verhaal van het gebied van het huidige Nederland.
Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden is in de geschiedschrijving de gangbare term voor het Koninkrijk der Nederlanden van 1815 tot 1830.
Het beschrijft de periode waarin het huidige Nederland en België één staat vormden onder Koning Willem I. Het Groothertogdom Luxemburg,
dat is het huidige Groothertogdom Luxemburg en de Belgische provincie Luxemburg, was door een personele unie verbonden met het koninkrijk.
Aanvankelijk, tot aan de inhuldiging van erfprins Willem-Frederik van Oranje-Nassau als Koning Willem I heette de staat het
Soeverein Vorstendom der Verenigde Nederlanden.

De Pruisische en Russische troepen verdreven in 1813 de Franse troepen grotendeels uit het latere Nederland Daana keerde Willem Frederik, de zoon van de laatste Stadhouder Willem V na zijn landing in Scheveningen terug naar Den Haag. Op 2 december 1813 verkreeg hij de titel van Soeverein Vorst van het Soeverein Vorstendom der Verenigde Nederlanden.

Gijsbert Karel van Hogendorp had al in de Franse tijd gewerkt aan zijn Schets van een grondwet. Een grondwetscommissie gebruikte deze Schets om tot de grondwet van 1814 te komen die op 29 maart door een vrij

Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in Europa

willekeurige groep notabelen werd aangenomen in Amsterdam. Willem kreeg het opperbevel over leger en vloot, mocht officieren aanstellen en ontslaan, kreeg het oppergezag over de financiën en over de overzeese koloniën.

Hij kreeg tevens de leiding over buitenlandse betrekkingen en de aanstelling van gezanten en consuls. De leden van de Staten-Generaal zouden worden gekozen door de Provinciale Staten, maar de wetgeving in de provincies moesten zij delen met de nieuwe vorst. De grondwet verzekerde algemene godsdienstvrijheid.

Tijdens het Congres van Wenen in 1815 werd min of meer beslist tot het afstaan van de Zuidelijke Nederlanden (België en Luxemburg) door Frankrijk.
Deze herindeling gebeurde niet zonder slag of stoot, want Willem probeerde het onderste uit de kan te halen. Sinds Hendrik Van der Noot in 1789 aan
de Republiek om een hereniging vroeg, had dit idee de dan nog jonge erfprins niet meer losgelaten. Het Napoleontisch debacle
liet hem toe deze kans te benutten.

Verschillende scenario's zaten in de kast:

  1. Ofwel zouden de Noordelijke Nederlanden hersteld worden binnen hun oude grenzen en zouden de Zuidelijke Nederlanden een barrièrestaat worden onder een grootmacht.
  2. Ofwel zouden de Noordelijke Nederlanden gebiedsuitbreiding krijgen als de Zuidelijke Nederlanden (gedeeltelijk) Frans zou blijven; gedacht werd tot aan de Nete in de provincie Antwerpen, of zelfs heel Vlaanderen. In dit scenario zou er ook gebiedsuitbreiding gebeuren in Duitsland, en zou de grens lopen van Mechelen, Maastricht, Gulik om zo te eindigen aan de Rijn bij Keulen en Düsseldorf.
  3. Ofwel Frankrijk binnen zijn oude grenzen, de Noordelijke Nederlanden uitgebreid met de Zuidelijke Nederlanden , een stuk Duitsland op de westoever van de Rijn tot aan de Moezel, op de oostoever het hertogdom Berg en de oude Nassause landen.

De eerste twee scenario's kwamen uit het "Memorandum betreffende Holland" van na de Slag bij Leipzig (16 tot 18 oktober 1813) en de toevoegingen
van Castlereagh op 30 november betreffende de grensbepaling langs Mechelen etc. Het laatste scenario kwam op 9 november 1813 uit de map van
Willem zelf. Het zou uiteindelijk dit scenario worden dat gedeeltelijk realiteit werd, al zou het tweede scenario later terugkomen in de vorm van het verdelingsplan Talleyrand bij de Belgische Revolutie. Het eerste scenario werd afgeschoten omdat Oostenrijk de Zuidelijke Nederlanden eenvoudigweg
niet meer terug wilde, hoewel dit de grootste wens was van Zuid-Nederlandse vertegenwoordigers. Hun compromis om een onafhankelijk Zuid-Nederland/België onder een Oostenrijkse prins in te stellen, werd door de grootmachten op weinig enthousiasme onthaald, omdat deze staat in hun
ogen te zwak was.

Het vraagstuk van de Nederlanden kende zijn problemen. Hoewel men koos voor het scenario van Willem, wilde men niet zo ver gaan in de
gebiedsuitbreiding als Willem. Onder andere over de toekomst van de oostoever van de Maas waren er meningsverschillen, maar Willem kreeg op 11
februari 1814 de westoever van de Maas definitief toebedeeld. Voor Willem was nu enkel het gebied tussen Maas en Rijn strijdgebied.
Uiteindelijk kwam men overeen met de Acht Artikelen van Londen dat Willem het grondgebied zou krijgen van de Oostenrijkse Nederlanden van in
1789 (dus zonder Frans-Vlaanderen), de oude Republiek, en het Land van Luik, mits enige grenzen werden rechtgetrokken. Willem poogde nog
Givet, Quesnoy, Maubeuge, Valenciennes en Condé te verkrijgen, maar faalde hier in.

Frankrijk was tevreden, want men vreesde dat de grootmachten Elzas-Lotharingen en Frans-Vlaanderen zouden opnemen in het
Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Sittard wilde Duits blijven, maar kwam bij het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.
Herzogenrath wilde Nederlands blijven maar kwam bij de Duitse Bond. Het hoogste punt in het Verenigd koninkrijk was tot 1830-1839
de Baraque Michel
van 674 m en vanaf 1830-1839 tot 1890, de Kneiff van 560 m. Met de overzeese gebieden meegerekend de Carstensztop
van 4887 m (In de Oost) en de Julianatop van 1280 m(In de West). Luxemburg hoorde in principe niet tot het Verenigd Koninkrijk, en maakte deel
uit van de Duitse Bond, maar Willem laste het in zijn Verenigde Nederlanden in. De Vorst maakte zich sterk voor de toevoeging van deze gebieden
aan Nederland en de mogendheden waren uit politiek oogpunt (buffervorming tegen Frankrijk) geneigd zijn wens te vervullen,
doch, zoals vermeld, niet helemaal.

Ontsnapping Napoleon van Elba en aankomst in Frankrijk

Op 1 maart 1815, toen het congres nog in volle gang was, wist Napoleon van Elba te ontsnappen. Al snel had hij weer een grote legermacht onder
zijn bevel, waarmee hij opnieuw oprukte tegen de mogendheden. Uiteindelijk werd hij door Pruisische, Hollandse, Belgische, Nassause
(onder aanvoering van de Prins van Oranje) en Engelse legers verslagen bij Waterloo. Daarna aarzelde Willem niet langer en riep zich op 16 maart
1815 met instemming van de mogenheden uit tot Koning der Nederlanden, Willem I, nadat op 13 februari 1815 de Nederlanden definitief verenigd
werden in het Traktaat van de 38 Artikelen. In september werd in Brussel de eenwording van de Noordelijke- en Zuidelijke Nederlanden plechtig
gevierd. Met de eenwording verwezenlijkte Willem I het ideaal van Willem van Oranje. Van de mogendheden kreeg hij de opdracht het verenigd
Koninkrijk der Nederlanden uit te bouwen tot een perfect amalgaam. De staat werd zoals Willem had gewild: unitair.

En dat in tegenstelling tot vertegenwoordigers uit de voormalige Staten, die een herstel wilden van de vroegere vorstendommen, zij het onder de
Vorst van Oranje. Her en der verschenen vlugschriften over een Confédération Batave of een of andere Federale Staat, op basis van een
Noord-Nederlands en een Belgisch geheel. Willem zag dit niet zitten en werd daarin gesteund door Metternich. Deze laatste kon men moeilijk van
progressieve invloeden betichten, maar koos toch voor een eenheidsstaat naar Frans model, omdat deze sterker zou staan tegenover Frankrijk
dan een verdeeld land. Een visie waarvan 15 jaar later bleek dat ze niet klopte.

Op 31 juli 1814 nam Willem I het voorlopige bestuur van de Zuidelijke Nederlanden over van de geallieerden. Nadat hij zich op 16 maart 1815 had
uitgeroepen tot Koning der Nederlanden, ging een commissie van 12 leden uit Nederland en 12 leden uit België aan de slag om de nodige
aanpassingen aan te brengen in de grondwet binnen het kader van de Acht Artikelen. De 12 Belgische leden bleken niet veel behoefte aan
verandering te hebben, maar eisten wel een meerderheid in de Staten-Generaal. Uiteindelijk werd besloten tot een vertegenwoordiging van 55
leden elk. Zowel conservatieve als liberale Belgen bleken de Staten-Generaal te willen splitsen. Deze werd uiteindelijk verlaagd tot Tweede Kamer
waarboven de Eerste Kamer werd gesteld.

Aangezien de leden van de laatste door de Vorst werden benoemd, nam de macht van de Koning toe, hoewel de Belgen eigenlijk het
tegenovergestelde hadden willen bereiken. In betrekkelijke overeenstemming had de commissie zo de grondwet van 1815 ontworpen, die in
het Noorden door de oude Staten-Generaal werd aangenomen. Bij het vooralsnog ontbreken van deze instelling in het zuiden, werd hier door een
college van 1604 notabelen over gestemd. Door het episcopaat werd stelling genomen tegen de grondwet. Ook was er weerstand tegen de
gelijke verdeling van de staatsschuld. Van de 1323 stemden dan ook 527 voor, terwijl 796 tegen stemden.

Overigens was een ruime meerderheid van de Nederlandstalige gewesten tegen, terwijl een kleine meerderheid van de Waalse gewesten voor was.
Om hier uit te komen telde Willem I de 126 tegenstemmen die gebaseerd waren op de vrijheid van godsdienst bij de voorstemmen, zich hierbij
beroepend op het dwingende karakter van de Acht Artikelen op dit vlak. Omdat er ook nu nog geen meerderheid was, telde hij de 281 afwezigen
ook als voorstemmer, zodat hij met deze beruchte "Hollandse Rekenkunde", Arithmétique Hollandaise, toch nog aan een meerderheid kwam.
De Grondwet (zie boven) gaf de Koning bijzonder veel macht. Staatsrechtelijk gezien was het nieuwe koninkrijk heel anders ingericht dan het
Nederland en het België van de 20e eeuw.

De noordelijke provincies van het Koninkrijk hadden indertijd ruim twee miljoen inwoners, de zuidelijke provincies bijna drie-en-een-half.
De Tweede Kamer der Staten-Generaal kreeg 110 leden, waarvan er, ondanks het grotere inwonertal in het zuiden, 55 door de noordelijke en 55 door
de zuidelijke provincies werden gekozen. De Eerste Kamer bestond uit veelal adellijke figuren, oude en nieuwe adel, van wie velen hun benoeming aan
de Koning te danken hadden. Dat de Koning veel macht had bleek ook uit het feit dat de acht ministers zelf geen verantwoording aan de Staten-
Generaal hoefden af te leggen, maar slechts aan de Vorst. In feite voerden zij de bevelen van de Koning uit, en bracht de volksvertegenwoordiging
daar weinig tegenin. Ook kon de Vorst regeren per Koninklijk Besluit.

Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden telde 17 provincies:
  • Antwerpen
  • Drenthe
  • Friesland
  • Gelderland
  • Groningen
  • Henegouwen
  • Holland
  • Limburg
  • Luik
  • Namen
  • Noord-Brabant
  • Oost-Vlaanderen
  • Overijssel
  • Utrecht
  • West-Vlaanderen
  • Zeeland
  • Zuid-Brabant (in 1831 hernoemd tot Brabant)


Verenigd Koninkrijk der Nederlanden voor 1816

Het Verenigd Koninkrijk onderhield bovendien een personele unie met het Groothertogdom Luxemburg, waarvan Koning Willem I de Groothertog
was. Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden had twee regeringscentra; Den Haag en Brussel. Net als het Europees Parlement tegenwoordig,
was de Nederlandse regering vaak op reis. Om het jaar zetelde de regering een jaar in Den Haag en een jaar in Brussel. Dat betekende dat de
ministers en ambtenaren huizen moesten bezitten of huren in beide steden. De Koning drong erop aan dat Nederlands de algemene bestuurstaal
moest zijn, maar in de Tweede Kamer spraken alle Belgische afgevaardigden Frans (dat ook door de meeste Nederlandse afgevaardigden werd
verstaan). In de Eerste Kamer, waarin bijna uitsluitend aristocraten zitting hadden, spraken ook de meeste Nederlandse afgevaardigden Frans om
beter door hun Belgische (en vooral Waalse) collega's te worden verstaan. Deze Noord-Nederlandse aristocraten noemden dat "Défendre les
intérêts nationaux en langue étrangère" (De nationale belangen in een vreemde taal verdedigen).

De zuidelijke Nederlanden hadden ruim 60% van de totale bevolking en van de soldaten was dan ook ruim 60% uit het zuiden afkomstig.
Van de officieren en hoge ambtenaren was evenwel de grote meerderheid uit het noordelijk landsdeel afkomstig. Economisch ging het de nieuwe staat
voor de wind, hoewel vooral het noorden in het begin te maken kreeg met veel werkloosheid en armoede, nadat een vloed aan Britse goederen de
handelsmarkt had gedestabiliseerd. Een op de negen mensen leefde er van een soort bijstand, nauwelijks genoeg om van te overleven.
Verzwakte arbeiders werden vervangen door frisse, geschoolde werknemers uit andere Europese landen, wat het werkloosheidscijfer verder opjoeg.
Via een nieuwe instelling, de Maatschappij van Weldadigheid, een initiatief van generaal Van den Bosch, werden gestichten voor weeskinderen,
armen- en veenkoloniën in Drenthe opgericht, waar duizenden verpauperde mensen onder barre omstandigheden aan het werk werden gezet.


Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1816-1830)

Het financieel redelijk stabiele zuiden moest weliswaar de grote schuldenlast van het noorden meedragen, maar profiteerde ook mee van de opbrengsten en afzetmogelijkheden van Nederlandse koloniën. Toch had ook het zuiden te maken met grote verschillen tussen rijk en arm. De grote winsten van de handel en nijverheid werden in nieuwe projecten gestoken, of verdwenen in de zakken van de directeuren. Een zevende van de bevolking leefde er in grote armoede. De Koning deed zijn best wat meer eenheid te brengen en voerde bijvoorbeeld het metrisch stelsel in. Dit was een niet zo voor de hand liggende daad omdat dat stelsel een product van de woelige jaren van de Franse revolutie was dat om de lieve vrede door Napoleon weer afgeschaft was. De Koning stelde nieuwe in- en uitvoertarieven vast om de sukkelende, verouderde Amsterdamse handel nieuw leven in te blazen en liet kanalen graven of verdiepen en verbreden in zowel het noorden als het zuiden (het Noordhollandsch Kanaal, het Kanaal van Gent naar Terneuzen, het Kanaal van Brussel naar Charleroi, het Moezelkanaal en het Kanaal van Luik). Een positief effect hadden de ontsluiting van gebieden in zuid en noord door de aanleg van verharde wegen.

De uitbouw van de staalindustrie in Wallonië; de ontsluiting van de haven van Antwerpen; en de stimulering van de zuidelijke textielnijverheid. Dit alles maakte een grote export-omzet in laken, wapens, ijzerproducten en vlas mogelijk, en import van wol en katoen. De handelsvloot van Antwerpen groeide uit tot 117 schepen. Veel van deze economische projecten financierde de koning vanuit het door hem ingestelde Amorisatiesyndicaat, een fonds dat hij tot ergernis van de notabelen buiten de controle van de Staten-Generaal hield. Ook het onderwijs werd uitgebouwd; vooral in het zuiden was dit nodig wegens de grote ongeletterdheid. In 1825 richtte de Vorst, met kapitaal vanuit het zuiden, het noorden en zijn eigen portemonnee, de Nederlandsche Handel-Maatschappij op, ter bevordering van de handel vanuit de koloniën. Vlak daarop brak op Java een grote opstand uit, die bloedig werd neergeslagen.

Daarna werd in Nederlands-Indië het cultuurstelsel ingevoerd, waarbij eenvijfde van de opbrengsten voor de Nederlandse staat zou zijn.
Het Noorden profiteerde dus van het synergetisch effect van de eenmaking, de verlichting van de staatsschuld en de grote macht van het Koninkrijk.
Door alle inspanningen nam de welvaart toe, maar daar waren ook andere initiatieven voor nodig.Waar Engeland al lang de industriële revolutie had
omarmd, ploegden de Hollanders lange tijd gezapig door in hetzelfde tempo en met dezelfde middelen. Het was bijvoorbeeld oud-officier
Paul van Vlissingen die de stoomboot in Nederland introduceerde, die hij inzette voor veerdiensten. Hij was het ook die, met behulp van Engelsen,
de eerste machinefabriek oprichtte. Daaruit kwamen later de eerste scheep's- en werktuigbouwkundige projecten voort, zoals het eerste stoomschip
van Nederlandse makelij (werf Feijenoord). In 1835, na de scheiding, kreeg het zuiden zijn primeur voor het Europese vasteland: de eerste lijn voor
stoomtreinen tussen Brussel en Mechelen. Het noorden volgde in 1839 met de lijn Haarlem-Amsterdam.

De eenwording verliep in maatschappelijk opzicht minder goed. De zuidelijke en de noordelijke mentaliteit, het bourgondische en het calvinistische,
bleken elkaar niet goed te verdragen. Van bij de eenwording was er ook een bestuurlijk taalonderscheid. In de Zuidelijke Nederlanden was de
administratieve taal en deze van de elite het frans. Het Nederlands was er enkel de taal van de bedienden en arbeiders. De invoering van het
Taalbesluit van 15 september 1819 bepaalde dat alle inwoners van Antwerpen, Limburg, Oost- en West-Vlaanderen zich in het Nederlands moesten
kunnen wenden tot de gemeente, de rechter en de notaris.

Vanaf 1 januari 1823 zou het de autoriteiten in deze provincies tevens definitief verboden zijn het Frans te gebruiken. Deze maatregel kon bij de elite
in de zuidelijke Nederlanden niet op veel bijval rekenen. Daarom stookte zij het vuur steeds verder op. Ook al was Noord-Brabant een katholieke
provincie, en evenals Limburg in cultureel opzicht veel meer verwant met Vlaanderen. De Franstalige elite probeerde verschillen in geloof,
communicatie, mentaliteit en leefstijl te gebruiken voor eigen politiek gewin. Beide rijksdelen hadden een verschillende historische bagage.
Wederzijdse beduchtheid voor overheersing van de ene of andere taal en godsdienst bleken eveneens conflicten in de hand te werken.


Légion Belge Parisien

De Fransen speelden op de achtergrond een doorslaggevende rol. Zo werd in Frankrijk het "Légion Belge Parisienne" opgericht, dat met privé-steun
gefinancierd werd (o.a. van Graaf de Merode) en twee bataljons van telkens 400 vrijwilligers leverde. Dit gebeurde met instemming van de
Franse regering, die zo een eventuele aanhechting van België bij Frankrijk in de hand wou werken. Als gevolg van de blijvende wrevel besliste
Koning Willem I op 4 juni 1830 om de taaldwang in de Zuidelijke Nederlanden af te schaffen. Van dan af was het opnieuw toegestaan om zich in
'Vlaanderen' te laten verdedigen door een Franstalige advocaat, een Franstalig testament op te maken of het Frans te gebruiken als bestuurstaal.

Ook in politiek opzicht ging het geleidelijk aan minder goed. Willem I regeerde als een verlicht despoot, en in het traditionele zuiden wekte dat vaak
wrevel op.Onder meer door de relatieve ondervertegenwoordiging van het zuiden ten opzichte van het noorden op hoge overheidsposten en
in de legertop, gingen vele zuiderlingen wat voelen voor autonomie (al had het Zuiden getalsmatig iets meer volksvertegenwoordigers
dan het noorden (een situatie die meer voorkomt bij Federale Staten, zoals in de Amerikaanse senaat).

Maatregelen om in het hele Nederlandstalige deel van het koninkrijk het Nederlands als overheidstaal in te voeren leidden tot grote wrevel bij het
Waalse volksdeel en bij de verfranste elite van de Vlaamse gewesten. Ook de afkeer van het homogeen katholieke zuiden tegen het 'protestantse'
Noorden (in feite was 40% in het noorden ook katholiek maar al sinds de Tachtigjarige Oorlog in een achtergestelde positie) en de zuidelijke wens
tot invoering van het Rooms-katholicisme als staatsgodsdienst (in strijd met de grondwet) versterkten de roep om autonomie.

Zeer tegen het zere been van dekatholieke clerus was het verlies van kerkelijke greep op het onderwijs. Zo liet de Koning met een beroep op de
vrijheid van onderwijs de bisschoppelijke seminaries sluiten in ruil voor de oprichting van een minder van de kerk afhankelijk Collegium
Philosophicum. Onder aanvoering van de bisschop van Gent, monseigneur De Broglie, kwamen de zuiderlingen steeds meer in opstand.

De Koning probeerde dit verzet in de kiem te smoren, onder meer door de persvrijheid enigszins te beknotten en hier en daar de marechaussee in te zetten, maar dit alles was olie op het vuur van het verzet. Koning Willem had gedacht dat hij de liberalen en katholieken in het zuiden van zijn land tegen elkaar kon uitspelen. Vele jaren lang lukte dit. Politiek bezien een wat knullige benadering van het volk maar typerend voor die tijd.Opeens was dit afgelopen en keerden de katholieken en liberalen zich tegen de Koning.

Maar omdat het liberale verzet in het noorden niet van de grond kwam - er overheerste meer een anti-papistische stemming - leidde dit enkel in het zuiden tot een algemene opstand, de Belgische Revolutie van 1830, waarmee België zich afscheidde van Nederland en een apart Koninkrijk werd. Pas in 1848 kwam in het noorden het verzet tegen de grote macht van de Koning

Willem I
Koning Willem I

van de grond, wat onder Koning Willem II leidde tot een nieuwe grondwet, een ontwerp van de liberaal Johan Thorbecke. In 1860 kwam België op vrijersvoeten terug bij Nederland omwille van de dreiging met annexatie door Napoleon III. Premier Charles Rogier van België verklaarde zelfs dat het oude Koninkrijk der Nederlanden hersteld moest worden onder twee regeringen (dus als een confederatie). Aldus gewenst liet men de Brabançonne aanpassen opdat die de vriendschapsbanden tussen Nederlanders en Belgen (lett: Bataven en Belgen) zou benadrukken. Luxemburg werd een zelfstandig Groothertogdom in 1890, toen met de dood van Koning Willem III de Ottoonse tak van de Nassau's uitstierf in de mannelijke linie. De Nederlandse kroon ging over op de vrouwelijke erfgenaam, Wilhelmina, in Luxemburg vanwege de daar geldende Salische wet echter op Adolf van Nassau-Weilburg.

In de jaren 1920 ontstond er in beide landen een streven naar hereniging: de Groot-Nederlandse gedachte. De voortrekker van deze beweging
was de historicus Pieter Geyl, hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht. Hoewel er natuurlijk nog tal van banden waren tussen
Nederland en België kwam er pas een hernieuwde sterke samenwerking tussen beide bij de oprichting van de Benelux na de Tweede Wereldoorlog.
Na de recente Belgische staatshervorming waarbij het land feitelijk een federatie bestaande uit Vlaanderen en Wallonië werd zoekt Vlaanderen
steeds meer de samenwerking met Nederland. Er gaan zelfs stemmen op voor 'hereniging' met de noorderburen.

Er waren ook mensen die het Verenigd Koninkrijk wilden herstellen (of in ieder geval die staatkundige eenheid, inclusief Wallonië en Luxemburg);
deze stroming was echter klein te noemen. Een van hem was Pieter Catharinus Arie Geijl, (Dordrecht, 15 december 1887 - Utrecht, 31 december
1966), Nederlands hoogleraar geschiedenis, eerst aan de Universiteit van Londen, later aan de Universiteit van Utrecht. Wegens publicaties in
Angelsaksische landen gebruikte Geijl veelvuldig de spelvariant Geyl, omdat de ij onbekend is in het Engels. Regelmatig is hij onder die naam bekender
dan de naam zoals geregistreerd bij de overheid. Pieter Geijlwas de zoon van een huisarts.

Hij volgde middelbaar onderwijs aan het stedelijk gymnasium te Den Haag en begon in 1906 zijn studie Nederlandse letteren en geschiedenis aan de universiteit van Leiden. Na kritiek over zijn literaire vaardigheden van zijn vrienden P.N. van Eyck en A. Verwey richtte hij zich uitsluitend op zijn studie geschiedenis. Hij studeerde in 1911 cum laude af.

Op voorspraak van de hoogleraar vaderlandse geschiedenis P.J. Blok ontving Geijl na zijn studie een beurs van het Fruinfonds en hij vertrok voor zes maanden naar Italië, waar hij in Venetië materiaal verzamelde voor zijn dissertatie, een studie over Christofforo Suriano. Resident van de serenissime republiek van Venetië in Den Haag, 1616-1623.

In december 1913 promoveerde hij, opnieuw met
lof. Hierna werd hij correspondent in Londen voor
het Algemeen Handelsblad. In 1919 kreeg Geijl een leerstoel Dutch Studies aan het University College London (UCL). Deze leerstoel werd met steun van de Nederlandse ambassade gefinancierd door het bedrijfsleven.
Geijl was de eerste hoogleraar die dit ambt bekleedde.

GeylProf. Pieter Geyl(1887 - 1966)

In 1920 werd hij bijgestaan door P.N.U. Harting, docent Nederlandse taal- en letterkunde. Geyl slaagde en werd doctor in de Nederlandse Taal en Letterkunde. In 1936 werd Geijl hoogleraar nieuwe geschiedenis aan de universiteit van Utrecht en in 1938 daarnaast buitengewoon hoogleraar aan de Nederlandse Handels-Hogeschool te Rotterdam. In beide posities volgde hij G.W. Kernkamp op.

In 1941 is hij benoemd tot lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Geijl ging in 1958 met emeritaat. Hem werd in 1957 de P.C. Hooft-prijs verleend voor zijn wetenschappelijk en essayistisch werk. Geijl was voorstander van een Groot-Nederland, dat zou moeten bestaan uit Nederland, Vlaanderen en Zuid-Afrika.

Hij pleitte daarom voor samenwerking op het gebied van de taal en cultuur. Zijn sympathie voor de Vlaamse Beweging hangt hiermee samen, en was ook consequent in het licht van zijn werk Geschiedenis van de Nederlandse stam, waaruit eveneens een grootnederlandse opvatting blijkt. Geijl was getrouwd en had een zoon en een dochter.

Na het overlijden van zijn eerste vrouwhertrouwde Geijl. Dit huwelijk bleef kinderloos. Om zijn kritiek op het nazibewind tijdens de bezetting werd
Geijl vastgezet in concentratiekamp Buchenwald, maar hij werd later overgeplaatst naar verschillende kampen in Nederland, waaronder kamp
Sint-Michielsgestel. Daar was hij een van de Heeren Zeventien-gijzelaars. Toen hij in 1944 om gezondheidsredenen werd vrijgelaten,
zocht hij direct contact met het verzet. In de jaren veertig schreef Geijl sonnetten die in 1945 werden gepubliceerd onder de titel 'O Vrijheid'.