OranjelogoDe Huizen van Oranje en NassauNassau
De Nassau's
Vlag BelgieVlag NederlandGouden KroonVlag LuxemburgVlag Duitsland

De Geslachten van Nassau

Ontstaan Dillenburg, Siegen, Hadamar, Beilstein en Saarbrücken

Vanaf de tweede helft van de 13e eeuw werd gesproken over de late Middeleeuwen. De handel was tot bloei gekomen, waardoor de cultuur
was opgebloeid. Desondanks waren deze late middeleeuwen voor Europa in velerlei opzicht een periode van crisis. In economisch opzicht was er zelfs
sprake van een algemene malaise die tot 1475 duurde. Rond 1300 begon de verkoop van de aflaten, waarmee de Kerk veel geld binnenhaalde.
In de 14e eeuw kwam er kritiek op de Kerk van onder andere John Wyclif, die stelde dat Christus het hoofd van de Kerk is en niet de paus.
Dit zou uiteindelijk de basis leggen voor de protestantse leer van Maarten Luther.

In deze eeuw werd de handel op de Oostzee steeds belangrijker, mede dankzij de verzwakking van de Vikingen. Dit zorgde voor de oprichting van de
Hanze. Polen en Litouwen werden door een Koninklijk huwelijk samengevoegd tot Polen-Litouwen. De huisnijverheid groeide uit tot grootschalige
industrie, in handen van kooplieden, die de grondstoffen en eindproducten in heel Europa verhandelden. De schaalvergroting had verregaande
gevolgen voor de steden.

In hoog tempo verrezen er kantoren voor handelscompagnieën, beursgebouwen, banken, wisselkantoren en koeriersdiensten. De prijs voor deze
snelle stedelijke groei was vervuiling van de stad, ongevallen, brandgevaar en epidemieën. In de late middeleeuwen verkeerde Europa in een
langdurigeen diepe economische depressie, door talloze oorlogen en plunderingen, onder andere door Engeland en het Ottomaanse Rijk.

Ook een verslechtering van het klimaat kan een rol gespeeld hebben. De pest vierde hoogtijdagen: meer dan een derde van de bevolking stierf
tijdens de grote epidemie van 1347 tot 1351. De grote pestepidemie van 1347 maakte een einde aan een periode van stabiele bevolkingsgroei en het
wankele evenwicht tussen de oogst en de voedselbehoefte. Omdat een derde van de plattelandsbevolking was gestorven en veel land daarom
onbebouwd bleef, konden de horigen en boeren in 1352 viermaal zoveel voor hun graan vragen, wat zorgde voor een forse loonstijging
en meer rechten voor de arbeiders.

Tussen al deze zaken in, kwam ook de Adel in Duitsland tot bloei. Gronden werden of toegeëigend, gekocht of via vererving
in het bezit van machthebbers die nietsontziend probeerden hun bezit stelselmatig te vergroten. Een Freigut of Allodium wordt in het Nederlands
vertaald als Vrijgoed. Het duidt op een uitzonderlijke vorm van grondbezit, waarover het bezitsrecht absoluut is.
Iedere vorm van vruchtgebruik of de rechtspleging binnen het betrokken grondstuk, behoorde aan de bezitter. In feite maakte een Al
lodium zelfs geen deel uit van het Koninkrijk waar het was gelegen. Een vrijheer had niemand boven zich.

Hij regeerde als een Koning over zijn grondgebied, hanteerde zijn eigen rechtssysteem en rechtsspraak (met vierschaar, schandpaal en galg)
en werd omschreven als “iemand die niemand boven zich had behalve God”.

Het eigendomsrecht over een Allodium is dus aanzienlijk absoluter dan een hedendaags eigendomsrecht, want dit is immers onderhevig aan de wetten
van het land waarbinnen het is gelegen. Vele Allodia vinden hun oorsprong in Rijks- of Koningsgoed.

Europa rond 1300

Nassau-Dillenburg (1303-1341)

Jan VI (de Oude) van
Nassau-Dillenburg

Jan (of Johan) VI de Oude (Dillenburg, 22 november 1536 - aldaar, 8 oktober 1606) was de tweede zoon van Willem de Rijke en Juliana van Stolberg. Hij was een jongere broer van Willem van Oranje. In de geschiedschrijving wordt hij vaak kortweg Jan van Nassau genoemd. Jan van Nassau erfde in 1559 als oudste broer na Willem van Oranje de Nassause goederen van het geslacht Nassau in Duitsland. Zijn broer Willem (van Oranje) hadde nalatenschap van zijn neef René van Chalôn geërfd, namelijk het Prinsdom Orange in Frankrijk en de bezittingen in de Nederlanden. Jan was evenals zijn andere broers Luthers opgevoed, maar ging in 1572 uit overtuiging over tot het Calvinisme.

In 1577 was hij in de Nederlanden, en fungeerde hij korte tijd als stadhouder van Gelre. In 1579 vervulde hij een belangrijke rol bij de totstandkoming van de Unie van Utrecht. Een jaar later echter verliet hij de Nederlanden omdat hij zich niet kon vinden in de Fransgezinde politiek van zijn broer Willem. Hij keerde terug naar Slot Dillenburg. Jan van Nassau kan worden gezien als de stamvader van het thans in Nederland regerende vorstenhuis. De afstamming verloopt via zijn zoon Ernst Casimir. Van de vijf zonen van Juliana van Stolberg en Willem de Rijke is hij de enige zoon die een natuurlijke dood is gestorven. Jan was Graaf van Nassau-Dillenburg en verkreeg in 1569 de titel van Graaf van Siegen, Hadamar en Diez. In 1561 volgde de titel Graaf van Beilstein.

Hij vervulde verschillende belangrijke functies. Helaas miste hij echter wel de takt en de diplomatieke gaven van zijn broers Willem en Lodewijk. Na zijn overlijden werd, krachtens zijn testament, Nassau verdeeld over zijn vijf dan nog levende zonen. Nassau viel uiteen in de Graafschappen Nassau-Dillenburg (Willem Lodewijk), Nassau-Siegen (Jan), Nassau-Beilstein (George), Nassau-Dietz (Ernst-Casimir) en Nassau-Hadamar (Johan Lodewijk)

  1. Nassau-Dillenburg onder Willem Lodewijk (uitgestorven in 1620)
  2. Nassau-Siegen onder Jan (uitgestorven in 1743)
  3. Nassau-Beilstein onder Georg (na 1620 te Dillenburg, uitgestorven in 1739)
  4. Nassau-Dietz onder Ernst Casimr (na 1702 Oranje-Nassau, uitgestorven in 1890/1962)
  5. Nassau-Hadamar onder Johan Lodewijk (uitgestorven in 1711)

Na 1743 werden alle gebieden weer herenigd. De Vorsten gebruiken dan de naam Oranje-Nassau om zich te onderscheiden van de Walramse linie.
De Keizerlijke administratie gebruikte Nassau-Dillenburg als naam, bijvoorbeeld in de Reichsdeputationshauptschluss van 1803. Toen Willem Lodewijk
in 1620 overleed, ging zijn Graafschap over naar zijn jongere broer George van Nassau-Beilstein, de die zich vervolgens Nassau-Dillenburg noemde.
Het Graafschap behoorde tot de Nederrijns-Westfaalse Kreits. Op 25-11-1652 werd de Graaf tot Rijksvorst verheven. Ten gevolge van huwelijk
van Adolf, een jongere zoon van Vorst Lodewijk Hendrik met Elizabeth Charlotte Melander, regeerde er ook een lid van de dynastie in het
Rijksgraafschap Holzappel. In 1739 stierf Nassau-Dillenburg uit met Christiaan, waarna het Graafschap in 1743 aan de tak Nassau-Dietz verviel.
Daarna werd het bestuurd als een Ambt binnen het herenigde Vorstendom.

De Rijnbondacte van 12-7-1806 stelde het Graafschap Dillenburg (uitgezonderd de Ambten Wehrheim en Burbach) onder de soevereiniteit van het
Groothertogdom Berg. De Ambten Wehrheim en Burbach werden onder de soevereiniteit gesteld van de Hertog van Nassau-Usingen en de
Vorst van Nassau-Weilburg: wederom de zogeheten mediatisering. In 1808 verloor de Prins van Oranje ook de laatste rechten wegens
zijn verzet tegen Napoleon. Na de nederlagen van Napoleon kon de Prins van Oranje het land in 1813 weer in bezit nemen. In het verdrag van
31-5-1815 stond hij echter al zijn Duitse bezittingen af aan het Koninkrijk Pruisen. Pruisen stond vervolgens dezelfde dag
nog het Vorstendom Dillenburg (zonder het Ambt Burbach) af aan het Hertogdom Nassau. Het Vorstendom Dillenburg bestond uit de Ambten
Dillenburg, Haiger, Herborn, Ebersbach, Tringenstein, Burbach en Driedorf. Het Ambt Wehrheim was een gemeenschappelijk bezit met het
Keurvorstdendom Trier.

Nassau-Siegen(1303-1743)

Nassau-Siegen is een tak van het Huis Nassau die twee keer afzonderlijk voorkwam en heerste over een deel van het Graafschap Nassau.
De stad Siegen is in 1224 ontstaan en was aanvankelijk in het gemeenschappelijk bezit van de Keurvorst van Keulen en de Graaf van het Huis Nassau.
Het Vorstendom Nassau-Siegen, ruwweg 80 km oostelijk van Keulen, omvatte vooral de huidige plaatsen Freudenberg, Hilchenbach, Kreuztal, Siegenz
en Wilnsdorf. De eerste tak Nassau-Siegen ontstond in 1303, toen de zonen van Otto I van Nassau (die Nassau sinds Otto's dood in
1289 gezamenlijk hadden bestuurd) het gebied opdeelden in drie delen: Nassau-Siegen, Nassau-Hadamar en Nassau-Dillenburg.
In 1328 erfde Nassau-Siegen de gebieden van de tak Nassau-Dillenburg en noemde zich voortaan daar naar.

De tweede tak Nassau-Siegen ontstond na het overlijden van Jan van Nassau (1535-1606). Het Graafschap Nassau-Dillenburg werd dan verdeeld
onder zijn vijf zonen, waarbij Jan (VII) (1561-1623) het Graafschap Siegen erft. Zo ontstond er weer een huis Nassau-Siegen. Het Graafschap
behoorde tot de Nederrijns-Westfaalse Kreits. Omdat zijn oudste zoon tot het katholicisme overging, ontstond er tweespalt in de familie.
Dit resulteerde in een deling van het land in 1623:

  • Het slot met het gebied ten zuiden van de Sieg kwam aan de katholieke Jan (Johansland). Het slot kreeg in 1695 de naam Bovenslot Siegen
  • Het klooster met het gebied te noorden van de Sieg kwam aan de protestante tak. Deze tak bouwde in 1695 het Nederslot Siegen.

Van 1623 tot 1649 was Hilchenbach de hoofplaats van het Graafschap. In 1652 werd Graaf Johan Frans van de katholieke tak tot Rijksvorst verheven.
Graaf Hendrik van de protestantse tak huwde Maria Elizabeth van Limburg-Styrum, waardoor de Heerlijkheid Wisch in Gelderland aan deze tak
viel. Op 6-5-1664 werd Graaf Willem Maurits uit de protestantse tak ook tot Rijksvorst verheven. Deze tak stierf in 1734 uit met Frederik
Willem II
, waarna de eenheid van Nassau-Siegen weer hersteld was. In 1743 stierf Nassau-Siegen uit met Willem Hyacinthus, waarna het
Graafschap aan Nassau-Dietz valt. Daar werd het bestuurd als een Ambt binnen het herenigde Vorstendom.

(l)1e Prins, Johann Ludwig van Nassau , (m) Wapen van Otto I van Nassau en (r) Kist van Johann Ludwig van Nassau

De Rijnbondacte van 12-7-1806 stelt het Graafschap Siegen onder de soevereiniteit van het Groothertogdom Berg: de mediatisering. In 1808
verloor de Prins van Oranje ook de laatste rechten wegens zijn verzet tegen Napoleon. Na de nederlagen van Napoleon kon de Prins van Oranje het land in
1813 weer in bezit nemen. In het verdrag van 31-5-1815 stond hij echter al zijn Duitse bezittingen af aan het Koninkrijk Pruisen. Het Vorstdendom
Siegen bestond uit de ambten Siegen, Netphen, Hilchenbach en Freudenberg. Tijdens de deling bestond het protetstanse deel uit een deel van het
Ambt Siegen en de Ambten Hilchenbach en Freudenberg. Het katholieke deel bestond uit de Ambten Netphen en een deel van het Ambt Siegen.
Het katholieke deel van het Ambt Siegen stond bekend als het Ambt voor de Hayn. Het grensde in het noorden aan het Hertogdom Westfalen, i
n het westen aan de Wildenburg en het Sayn-Altenkirchen, in het zuiden aan het Vorstendom Nassau-Dillenburg en in het oosten aan het
Graafschap Wittgenstein-Wittgenstein.

Nassau-Hadamar (1303-1711)

Nassau-Hadamar was een tak van het Huis Nassau die twee keer voorkwam. De eerste tak Nassau-Hadamar-Siegen ontstond in 1290, toen de zonen
van Otto I van Nassau (die Nassau sinds Otto's dood in 1289 gezamenlijk hadden bestuurd) het gebied opdeelden in drie delen: Nassau-Siegen,
Nassau-Hadamar en Nassau-Dillenburg. Nassau-Hadamar ging in 1394 op in de tak Nassau-Dillenburg. De tweede tak Nassau-Hadamar ontstond na h
het overlijden van Jan van Nassau (1535-1606). Het Graafschap Nassau-Dillenburg werd dan verdeeld onder zijn vijf zonen, waarbij Johan Lodewijk
het Graafschap Hadamar erfde. Zo ontstond er weer een huis Nassau-Hadamar. Het Graafschap behoort nu tot de Nederrijns-Westfaalse Kreits.
In 1643 verkocht de Graaf de Heerlijkheid Esterau met de voogdij Isselbach en Eppenrod aan veldmaarschalk Peter Melander.

Hieruit ontstond het Rijksgraafschap Holzappel. Op 8 januari 1650 werd Johan Lodewijk tot rijksvorst verheven. In 1711 stierf Nassau-Hadamar uit m
et Frans Alexander, waarna het graafschap aan de gezamenlijke takken Nassau-Siegen, Nassau-Dillenburg en Nassau-Dietz viel. Van 1711 tot 1739
trad Vorst Christiaan van Nassau-Dillenburg op als regent. Na 1743 werd het bestuurd als een Ambt binnen het herenigde Vorstendom.
De Rijnbondakte van 12 juli 1806 stelde het Graafschap Hadamar onder de soevereiniteit van het Groothertogdom Berg: de mediatisering.
In 1808 verloor de Prins van Oranje ook de laatste rechten wegen zijn verzet tegen Napoleon.

Na de nederlagen van Napoleon kon de Prins van Oranje het land in 1813 weer in bezit nemen. In het verdrag van 31-5-1815 stond hij echter al
zijn Duitse bezittingen af zou geven aan het Koninkrijk Pruisen. Pruisen stond het voormalige Vorstendom Hadamar nog dezelfde dag af aan het
Hertogdom Nassau. Het Vorstendom Hadamar bestond daarna nog uit de Ambten Hadamar, Rennerod, Mengerskirchen (sinds 1621) en Ellar.
Bij de opdeling van de Heerlijkheid Beilstein in 1782 werd het Ambt Mengerskirchen uitgebreid met de parochies Nenderoth en Niedershausen.


(l) Franz-Alexander van Nassau-Hadamar, (m) Wapen van Fransz-Alexander, (l) Epithaaf Franz-Alexander

Nassau-Beilstein (1371-1743)

Nassau-Beilstein was een tak van het Huis Nassau. Nassau-Beilstein ontstond in 1341, toen de Nassause tak Nassau-Dillenburg werd opgesplitst in
Nassau-Dillenburg en Nassau-Beilstein. In 1561 ging de tak weer op in Nassau-Dillenburg. Alle landen op de rechter Rijnoever van de Ottoonsche
linie waren dan weer verenigd onder Graaf Jan, de broer van Willem van Oranje. In 1606 werd Nassau-Dillenburg verdeeld onder de vijf zonen van
Jan, waarbij de Heerlijkheid Beilstein aan George valt. Toen George' oudere broer Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg in 1620 stierf,
volgde hij deze op in het Graafschap Dillenburg. Vanaf dan noemt George zich Nassau-Dillenburg.

De Heerlijkheid Beilstein maakte deel uit van de Keur-Rijnse Kreits, dit in tegenstelling tot de andere Graafschappen van de Ottoonsche linie, die tot de
Nederrijns-Westfaalse Kreits behoorden. De Heerlijkheid Beilstein werd in personele unie met Nassau-Dillenburg bestuurd en ging met dit Vorstendom
op in het verenigde Vorstdendom onder Nassau-Dietz in 1743. In 1782 komt er een eind aan de administratieve eenheid van Beilstein

  1. Vorstendom Dillenburg (Ambt Driedorf): parochie Beilstein.
  2. Vorstendom Hadamar (Ambt Rennerod): parochies Emmerichenhain, Neukirch en Liebenscheid; (Ambt Mengerskirchen): parochies Nenderoth en Niedershausen.
  3. Vorstendom Dietz (Ambt Marienberg): parochie Marienberg

Door de Rijnbondsacte van 12-7-1806 werden de gebieden die verenigd waren met Dillenburg en Hadamar onder de soevereiniteit van de
Groothertog van Berg gesteld en de delen die met het Vorstdendom Dietz waren verenigd onder die van de Hertog van Nassau-Usingen en de
Graaf van Nassau-Weilburg: de mediatisering. Na de nederlagen van Napoleon nam de Prins van Oranje deze bezittingen in 1813 weer in bezit.
Op 31-5-1815 sloot de Prins een verdrag met Pruisen, waarin hij zijn Duitse bezittingen afstond. Nog dezelfde dag stond Pruisen de
Heerlijkheid Beilstein af aan de Hertog van Nassau.

Nassau-Saarbrücken (1656-1806)

Nassau-Saarbrücken was de naam van een aantal takken van het huis van Nassau, waarbij de kern van het land werd gevormd door het
Graafschap Saarbrücken. Nassau-Saarbrücken (1656-1806) 1: Saarbrücken; 2: Saarwerden; 3; Moers; 4: Weilnau;
5: Merenberg; 6: Mahlberg; 7: Lahr; hart: Nassau.

In 1381 erfde Graaf Filips I van Nassau-Weilburg (overleden 1429) via zijn moeder Johanna van Saarbrücken het Graafschap Saarbrücken met
Commercy en Morley in Lotharingen. Dit Graafschap ligt ver verwijderd van zijn stamlanden en wordt de kern van een nieuw conglomeraat van
bezittingen. In 1393 erfde hij via zijn vrouw Johanna van Hohenlohe de Heerlijkheid Kirchheimbolanden (met Dannenfels en Altenbaumberg) en de
Heerlijkheid Stauf. Verder verwierf Filips I in 1393 de helft van Ottweiler en in 1400 het slot Hattweiler en een aandeel in de burcht Nannstuhl
(Landstuhl). De door deze expansie ontstane schulden noodzaken hem in 1411 de steden Ambten Commercy en Morley te verpanden.

In 1412 werd Homburg aan de Blies verworven, in 1416 kocht de Graaf het slot Frankenstein van de Graven van Leiningen en in 1417 werd
Wöllstein (dat tot dan een pandbezit was) een volledig eigendom. In 1421 werd de halve Heerlijkheid Diemeringen gepand van Hendrik van
Vinstingen. In 1442 deelden de twee zoons van Philips I van Nassau-Weilburg het Graafschap Nassau-Weilburg-Saarbrücken.
De oudste broer, Jan II volgde in Saarbrücken en de jongere broer Philips II kreeg Weilburg. De bezittingen iverde met Heinsberg, Diest en Sichem
een rijke erfenis op. Toch bleef deze niet binnen de dynastie.

Hun dochter Elizabeth erfde deze bezittingen en door haar huwelijk met Hertog Willem van Gulik kwamen ze aan dat land. Het huwelijk van
Graaf Johan Lodewijk met Kataharina van Moers-Saarwerden bracht meer in het laatje. In 1527 het Graafschap Saarwerden in de Elzas en Lahr,
Mahlberg en Kehl in Baden. De Graven bleven katholiek en werkten nauw samen met Keizer Karel V en Koning Ferdinand.
Een belangrijke rol speelden ze niet, onder meer omdat het Graafschap in 1544 gedeeld werd.

  • Philips krijgt Saarbrücken (uitgestorven 1554)
  • Jan III krijgt Ottweiler (uitgestorven 1574)
  • Adolf krijgt Kirchheim met de bezittingen in de Palts (uitgestorven 1559)

Deze deling duurt niet lang. In 1559 zijn de gebieden weer herenigd, waarna in 1574 de tak Nassau-Saarbrücken geheel uit stierf. Na het uitsterven
van Nassau-Saarbrücken in 1574 werd het gebied herenigd met Nassau-Weilburg, dat inmiddels een protestantse Staat was geworden. De reformatie
werd dus ook in Saarbrücken ingevoerd. Het Graafschap Saarwerden werd door het Hertogdom Lotharingen als leen terug genomen. Omdat de
broers Albrecht en Philips IV Nassau-Weilburg hadden gedeeld, deelden ze in 1574 ook de Saarbrücker erfenis: Albrecht kreeg Ottweiler en Philips IV
bekwam Saarbrücken. Na de dood van Philps IV in 1602 werd alles weer verenigd. Na het uitsterven van Nassau-Wiesbaden-Idstein in 1605
waren dan alle landen van de Walramse tak van het Huis Nassau onder Graaf Lodewijk II verenigd.

Hij voerde een gecentraliseerd bestuur, waarbij Saarbrücken het centrum was. Dit had echter geen blijvende effecten, want in 1629 vond er een
nieuwe verdeling van de landen plaats, midden in de Dertigjarige Oorlog en dat maakte de gebieden weerloos tegen militair geweld. De deling van 1629
kon aanvankelijk niet worden uitgevoerd omdat de Graven op de vlucht waren voor het oorlogsgeweld. De definitieve verdeling vond echter
plaats op 6 maart 1651, dus na afloop van de Dertigjarige Oorlog.

  • Jan kreeg het graafschap Wiesbaden-Idstein met de heerlijkheid Lahr en het halve Ambt Kirberg.
  • Willem Lodewijk kreeg het Graafschap Saarbrücken met Jugendheim, Wöllstein, Alt- und Neuweilnau, Usingen en Kirberg.
  • Ernst Casimir kreeg het Graafschap Weilburg met Reichelsheim, Kirchheim, Stauf en de Rijndorpen

In 1629 droeg het Hertogdom Lotharingen het Graafschap Saarwerden weer over aan Nassau. Het Graafschap Nassau-Saarbrücken werd in 1659 verder verdeeld:

  • Johan Lodewijk krijgt Ottweiler (uitgestorven 1728).
  • Gustaaf Adolf kreeg Saarbrücken (uitgestorven 1723).
  • Wolrad kreeg Usingen (uitgestorven 1816).

In deze tijd voerde Frankrijk de Réunion politiek. Saarbrücken, Ottweiler, Saarwerden en Homburg werden in 1679/80 bij Frankrijk ingelijfd.
De Vrede van Rijswijk in 1697 gaf de gebieden terug aan de rechtmatige eigenaren. Inmiddels waren de lande met geweld gerekatholiseerd.
Deze rekatholisering mocht niet worden teruggedraaid. Na het uitsterven van de oudste tak Saarbrücken viel het Graafschap in 1723 aan de tak
Ottweiler, die sinds 1721 ook in Wiesbaden-Idstein regeerde. Omdat deze tak in 1728 uitstierf, viel alles aan de derde tak, Nassau-Usingen. Vrijwel
alle landen waren wederom nu weer herenigd, er was alleen nog een tak in Weilburg. Aan het eind van het regentschap van Charlotte Amalia
van Nassau-Dillenburg in 1735
vond er echter een nieuwe deling plaats onder haar beide zoons, waarbij er weer een zelfstandige tak
te Saarbrücken ontstond.

  • Karel krijgt Nassau-Usingen (uitgestorven 1816).
  • Willem Hendrik krijgt Nassau-Saarbrücken (uitgestorven 1797).

Gedurende deze periode ontstaat er rust in het Graafschap. In 1766 werden de grensgeschillen met Frankrijk opgelost. Daarbij werden 14
Frans-Lotharingse dorpen op de rechter oever van de Saar geruild tegen 13 plaatsen op de linker oever van de Saar. Hieronder viel de
Heerlijkheid Püttlingen, waarvan de Graaf van Wied-Runkel eigenaar was. In 1768 regelde het Vergelijk van Hagenbach met het
Keurvorstendom van de Palts de onenigheden tussen de landen.

Franse revolutionaire troepen bezetten Saarbrücken in november 1793, waarna het land in 1797/1801 werd ingelijfd bij Frankrijk. In 1797 stierf
ook het huis Nassau-Saarbrücken uit. De aanspraken gingen naar de Vorst van Nassau-Usingen. De Vorst van Nassau-Usingen werd in de Reichsdeputationshauptschluss van 25 februari 1803 gecompenseerd voor het verlies van Saarbrücken. Het Congres van Wenen kende het
grootste deel van het Graafschap Saarbrücken toe aan het Koninkrijk Pruisen en een kleiner deel aan het Koninkrijk Beieren.
Ook bleven enkele dorpen bij Frankrijk.