OranjelogoDe Huizen van Oranje en NassauNassau
De Nassau's
Vlag BelgieVlag NederlandGouden KroonVlag LuxemburgVlag Duitsland

De Geslachten van Nassau

Ontstaan Wiesbaden, Weilburg, Idstein, Ottweiler en Usingen

Nadat de eerste Graaf van Nassau Dudo ten tonele was verschenen en het Huis Nassau vorm begon te krijgen, werden er weldra diverse Geslachten
die allen op een of andere manier Nassau in hun naam droegen, gesticht. Nassau-Wiesbaden, Nassau-Idstein en Nassau Weilburg zijn daar voorbeelden
van. Door heel slim huwelijken tot stand te brengen met leden van andere Adellijke Familie's die over meer grond en fortuin beschikten dan de Nassau's,
werd in de loop van tientallen zoniet honderden jaren de eigendommen van de onderscheiden leden van dit Huis en haar Geslachten uiterst sterk
uitgebreid.Daardoor nam het gewicht dat deze Geslachten in de schaal der Adellijkheid legden buitengewoon toe.

In de periode rond 1300 (14e eeuw) ontstonden de gebieden Nassau-Wiesbaden (1344), Nassau-Idstein(1344) en Nassau-Weilburg(1344) en
werden geregeerd door Edelen met de rang van Graaf of hoger. Hen toegekend door hun heerser, de Koning en verschillenden van hen hadden
als achternaam Nassau. Zij waren de voorvaderen van de geslachten van Nassau. Walram II, ons allen welbekend legde ook de fundamenten voor
de eerste Nassau-gebieden. Hij werd in 1220 geboren en stierf in het jaar 1276. Walram II was een zoon van Hendrik II "de Rijke" van
Nassauen Machteld van Gelre.

Hij was als opperhofmaarschalk en geheimraad in dienst van Keizer Rudolf I van het Heilige Roomse Rijk. Na zijn vaders dood in 1251 was hij samen
met zijn broer Otto heerser over de Nassause landen. In 1255 deelden Walram en Otto de bezittingen, waarbij Walram de gebieden ten zuiden van
de Lahn verkreeg, met daarin de steden Weilburg, Idstein en Wiesbaden. Het verdelingsverdrag werd later bekend onder de naam "Prima divisio".
Hij was voortdurend in conflict met de aartsbisschopen van Trier, aan wie hij verschillende gebieden kwijtraakte.

Hij huwde ca. 1250 met Adelheid van Katzenelnbogen, de dochter van Graaf Diederik IV van Katzenelnbogen.
Met haar kreeg hij de volgende kinderen:

Mathilda, jong overleden
Imagina, (overleden voor 1276), huwde mogelijk met Frederik van Lichtenberg
Diederik (ca. 1250 - 23 november 1307), Aartsbisschop van Trier van 1300-1307
Adolf (ca. 1250 - 2 juli 1298), Rooms Koning en Landgraaf van Thüringen
Ruprecht (overleden 5 juli 1305?), verder niets van bekend
Richarda ( - 28 juli 1311), non in het klooster St. Clara in Mainz en later in het klooster Clarenthal bij Wiesbaden.

De Heersers in het lopende tijdsbestek:

 

  1. 1220-1276: Walram II,
    Graaf van Nassau van 1249 - 1276
  2. 1276-1298: Adolf van Nassau, gekroond Koning van Duitsland in 1292
  3. 1298–1304: Ruprecht VI van Nassau
  4. 1298-1324: Walram III, Graaf van Nassau in Wiesbaden, Idstein en Weilnau
  5. 1298-1344: Gerlach I, Graaf van Nassau in Wiesbaden, Idstein, Weilburg en Weilnau


Wapen Walram II van Nassau

Koning Adolf van Nassau

Nassau-Weilburg, -Idstein en Sonneberg

Nassau-Weilburg was een tot de Boven-Rijnse Kreits behorend Graafschap binnen het Heilige Roomse Rijk. Het in 1912 uitgestorven huis
Nassau-Weilburg regeerde van 1816 tot 1866 over het Hertogdom Nassau en sinds 1890 over Luxemburg. In deze periode was het Graafschap
Nassau van de Walramse tak gesplitst in een tak te Weilburg en een tak te Idstein (1304 - 1324). In 1344 deed Graaf Gerlach I van Nassau uit de
Walramse tak afstand van zijn Graafschap ten gunste van zijn zoons.

Deze 3 zoons, t.w. Adolf I, Johan en Ruprecht regeerden tot 1355 gemeenschappelijk, waarna de bezittingen verdeeld werden:

1.) Adolf I kreeg Wiesbaden-Idstein (uitgestorven 1605)
2.) Johan kreeg Weilburg (uitgestorven 1912)
3.) Ruprecht kreeg Sonnenberg (uitgestorven 1396)

De eerste Graaf, Johan, had door zijn huwelijk met Gertrude van Merenberg ook het Graafschap Merenberg geërfd. Hij was een aanhanger van
Keizer Karel IV en voerde een actieve politiek om zijn bezittingen uit te breiden. Zijn broer, Keurvorst Gerlach van Mainz speelde daarin een belangrijke
rol. Op 26 september 1366 werd Johan op persoonlijke titel door Keizer Karel IV tot Vorstelijk Graaf verheven, maar dit had geen Rijksrechtelijke
gevolgen. In 1381 erfde Graaf Filips I via zijn moeder Johanna van Saarbrücken het Graafschap Saarbrücken met Commercy en Morley in Lotharingen.
Dit Graafschap lag ver verwijderd van zijn stamlanden maar werd de kern van een nieuw conglomeraat van bezittingen. In 1393 verkreeg hij via zijn
vrouw Johanna van Hohenlohe de Heerlijkheid Kirchheimbolanden (met Dannenfels en Altenbaumberg) en de Heerlijkheid Stauf.

Verder verwierf de Graaf in 1393 de helft van Ottweiler. In 1405 werd Neuweilnau met Usingen, dat al in pandbezit was, als eigendom gekocht. In 1412
werd ook Homburg aan de Blies verworven. In 1442 deelden de twee zoons van Filips I van Nassau-Weilburg het Graafschap Nassau-Weilburg-
Saarbrücken. Jan II bekwam Saarbrücken (uitgestorven 1574) en Filips II kreeg Weilburg (uitgestorven 1912). De bezittingen in de Palts
(Dannenfels, Stauf, Kirchheim, Altenbaumberg, Wöllstein) bleven gemeenschappelijk. In 1526 voerde graaf Filips III de reformatie in.
Hij breidde het gebied in 1536 uit met het ambt Burgschalbach en een aandeel in Löhnberg, welke door het landgraafschap Hessen werden afgestaan.
In 1574 stierf Nassau-Saarbrücken uit en viel het gebied aan Nassau-Weilburg.

Omdat de broers Albrecht en Filips IV Nassau-Weilburg hadden gesplitst, deelden ze in 1574 ook de Saarbrücker erfenis: Albrecht kreeg Ottweiler
en Filips IV werd eigenaar van Saarbrücken. Na de dood van Philps IV in 1602 werd alles weer herenigd. Na het uitsterven van Nassau-Idstein in 1605
werden alle landen van de Walramse tak van het Huis Nassau onder Graaf Lodewijk II herenigd. Hij voerde een gecentraliseerd bestuur, waarbij
Saarbrücken het centrum was. Dit had echter geen blijvende effecten, want in 1629 vond er een nieuwe verdeling van de landen plaats, midden in de
Dertigjarige Oorlog en dat maakte de gebieden weerloos tegen militair geweld. De deling van 1629 kon aanvankelijk niet uitgevoerd worden omdat de
Graven op de vlucht gingen voor oorlogsgeweld. De definitieve verdeling vond echter plaats op 6 maart 1651, dus na afloop van de Dertigjarige Oorlog.

Jan bekwam het Graafschap Wiesbaden-Idstein met de Heerlijkheid Lahr en het halve Ambt Kirberg. Willem Lodewijk kreeg het Graafschap Saarbrücken
met Jugendheim, Wöllstein, Alt- und Neuweilnau, Usingen en de anbndere helft van het Ambt Kirberg. Ernst Casimir ternslotte beheerde in eigendom
het Graafschap Weilburg met Reichelsheim, Kirchheim, Stauf en de Rijndorpen. Op 9 september 1737 werd deze Graaf tot Rijksvorst verheven.
In juni 1783 sloten alle linies van het huis Nassau een erfovereenkomst, waarin de eenheid en onvervreemdbaarheid van Nassau en
het eerstgeboorterecht werd vastgelegd. De Keizer keurde vervolgens deze overeenkomst op 29 september 1786 goed.

Karel August verlegde daarom zijn residentie naar Kirchheim in de Palts, terwijl de regeringszetel in Weilburg bleef. Het lukte de Graven het gebied goed
af te ronden. In 1703 werd het Ambt Hüttenberg dat gemeenschappelijk met het Landgraafschap Hessen-Darmstadt werd bestuurd, opgedeeld.
In 1706 werd het aandeel in het gemeenschappelijk bezit van de Rijndorpen aan het Keurvorstendom van de Palts afgestaan in ruil voor het
Ambt Bolanden. In 1716 werd 1/3 van de Heerlijkheid Cleeberg gekocht van het Leiningen-Westerburg.

Nassau-Idsteiner Burcht

Het andere deel was van Hessen-Darmstadt. Na een conflict met Nassau-Saarbrücken over het Graafschap Saarwerden in 1745, verwierf men 1/3 deel van dit Graafschap en wel het Ambt Neusaarwerden. In 1755 werd het Ambt Alsenz verworven van Palts-Zweibrücken in ruil voor 4/9 van de Heerlijkheid Homburg bij Zweibrücken.

In 1773 werden alle aandelen in Löhnberg verworven door een ruil met Nassau-Oranje. Tenslotte werd in 1799 het Sayn-Hachenburg geërfd ten gevolge van het huwelijk van Vorst Frederik Willem met Louise, Burggravin van Kirchberg. In de jaren 1797 tot 1801 werden de gebieden op de linker Rijnoever door Frankrijk ingelijfd.

Op de rechter Rijnoever: de Ambten Weilburg, Weilmünster, Merenberg, Löhnberg, Reichelsheim, de tweeherenlanden (Ambt Mielen en voogdij Schönau), Ambten Gleiberg, Hüttenberg, het Graafschap Sayn-Hachenburg, Burbach (gemeenschappelijk met Nassau-Oranje), het Ambt Cleeberg (gemeenschappelijk met Hessen-Darmstadt). Op de linker Rijnoever: 1/3 van het Graafschap Saarwerden (Ambt Neusaarwerden), de Heerlijkheden Kirchhheim, Stauf en Ambt Alsenz.

In paragraaf 12 van de Reichsdeputationshauptschluss van 25 februari 1803 werd de schadeloosstelling geregeld: de Vorst van Nassau-Weilburg
kreeg voor het verlies van 1/3 deel van Saarwerden en de Heerlijkheid Kirchheimbolanden de rest van het Keurvorstendom Trier met de abdijen
Arnstein, Schönau en Marienstatt. De twee laatste abdijen maakten deel uit van het Keurvorstendom Trier, terwijl de abdij Arnstein rijksvrij was.
In paragraaf 32 kreeg de Vorst tevens een zetel in de Raad der Vorsten van de Rijksdag toegewezen. Het Trierse gebied bestond uit de volgende
Ambten: Wellmich, Boppard, Ehrenbreitenstein, Vallendar, Sayn, Herschbach, Grenzau, Montabaur, Limburg, Camberg
(gemeenschappelijk met Nassau-Oranje), Wehrheim (idem) en Hammerstein.

De Rijnbondakte van 12 juli 1806 legt het volgende vast:

  • Artikel 5: de chef van het huis Nassau voert de titel Hertog.
  • Artikel 16: de Hertog van Nassau staat aan het Groothertogdom Berg af de stad Deutz met bijbehorend gebied, de stad en het Ambt Königswinter en het Ambt Willich.
  • Artikel 24: Onder de soevereiniteit van de Hertog van Nassau-Usingen en de Vorst van Nassau-Weilburg komen de ambten Dierdorf, Altenwied en Neuerburg, het gedeelte van het Graafschap Nieder-Isenburg dat Wied-Runkel bezit, de Graafschappen Wied-Neuwied en Holzappel, de Heerlijkheid Schaumburg, het Graafschap Dietz en onderhorigheden, het deel van het dorp Mensfelden dat Nassau-Fulda bezit, het Ambt Wehrheim en Burbach, het deel van de Heerlijkheid Runkel dat op de linker oever van de Lahn ligt, de Rijksridderlijke Heerlijkheid Cransberg en de Ambten Hohensolms, Braunfels en Greifenstein.
    Dit stond beken als de mediatisering.

Omdat de Hertog van Nassau-Usingen geen erfgenamen had en dus op afzienbare termijn door de Vorst van Nassau-Weilburg zou worden opgevolgd,
besloten de beide Vorsten al een gemeenschappelijke regering te vormen. Op 30 augustus 1806 gingen de beide Vorstdendommen op in het
Hertogdom Nassau. De afgezette Hertog Adolf van Nassau kwam na de dood van Willem III in 1890 op de troon van Luxemburg, omdat Willems
dochter Wilhelmina daar, op grond van de Salische wet niet tot opvolgen gerechtigd was. Adolfs opvolger Willem IV Alexander maakte, daar hij enkel
dochters had, opvolging in de vrouwelijke lijn alsnog mogelijk, zodat hij in 1912 werd opgevolgd door zijn dochter Maria Adelheid, op wie in 1919
haar zuster Charlotte volgde, tot haar aftreden in 1964.

Graven van Nassau-Wiesbaden-Idstein (1344- 1775)

  • 1344-1370: Adolf I van Nassau-Wiesbaden-Idstein
  • 1370- na 1386: Gerlach
  • 1370-1393: Walram II
  • 1393-1426: Adolf II
  • 1426-1480: John II
  • 1480-1511: Adolf III
  • 1511-1558: Philipp I
  • 1558-1566: Philipp II, Graaf van Nassau-Idstein
  • 1566-1568: Balthasar, Graaf van Nassau-Idstein
  • 1568-1596: Johann Ludwig I
  • 1596-1599: Jan Philip, tesamen met zijn broer Jan Louis II
  • 1596-1605: Jan Louis II
  • 1605-1627: Louis II
  • 1627-1629: Willem Louis
  • 1629-1677: Jan, Graaf van Nassau-Idstein, en (vanaf 1651) in Wiesbaden, Sonnenberg, Wehen, Burg-Schwalbach en Lahr
  • 1677-1721: George August Samuel (1688–1721)
  • 1721-1723: Karel Louis
  • 1723-1728: Frederick Louis, Graaf van Nassau-Ottweiler (1680–1728), en in Rixingen (1703–28), Idstein (1721-1728), alsmede in Wiesbaden, etc (1723 – '28)
  • 1728-1775: Karel

Nassau-Weilburg (1306-1816)

Graaf Walram II was de eerste Graaf van het Graafschap van Nassau-Weilburg, dat tot het jaar 1816 zelfstandig bestond.
Uit deze tak onstonden de Heersers van het Groot-Hertogdom Luxemburg. Daarbij werden deze Heren van Merenberg(1328),
en door huwelijk verkregen zij ook Saarbrücken(1353).

Graven van Nassau-Weilburg (1344-1688)

1344-1371: Jan I
1371-1429: Philipp I van Nassau-Weilburg, (vanaf 1381) ook Graaf van Saarbrücken
1429-1492: Philipp II
1429-1442: John III
1492-1523: Louis I
1523-1559: Philipp III
1559-1593: Albert
1559-1602: Philipp IV
1593-1625: Louis II, Graaf van Nassau-Weilburg en in Ottweiler, Saarbrücken, Wiesbaden, alsmede Idstein
1625-1629: Willem Louis, John IV en Ernest Casimir
1629-1655: Ernest Casimir
1655-1675: Frederick
1675-1688: Jan Ernst

Prinselijke Graven van Nassau-Weilburg

(1688-1816)

1688-1719: Jan Ernst
1719-1753: Karel August
1753-1788: Karel Christian
1788-1816: Frederick Willem
1816: Wilhelm, Prins van Nassau-Weilburg en Hertog van Nassau - Nassau-Weilburg werd opgenomen in het Hertogdom Nassau

Hertogen van Nassau (1816-1866)

1816-1839: Wilhelm
1839-1866: Adolf

In 1866, annexeerde Pruissen het Hertogdom Nassau daar deze Hertogen tesamen met Oostenrijk streden in de 2e Oostenrijks-Pruissische Oorlog.
In 1890, werd Hertog Adolf, Groothertog Adolphe van Luxemburg.

Groothertogelijke Heersers van Luxemburg

Groothertogen van Luxemburg(afkomstig uit het Huis Nassau-Weilburg)

1890-1912 ook via de vrouwelijke lijn.
1890–1905: Adolphe
1905–1912: Willem IV
1912–1919: Marie-Adélaïde
1919–1964: Charlotte
1964–2000: Jean
2000–heden: Henri

Charlotte Adelgonde Elisabeth Maria Wilhelmina (Colmar-Berg, 23 januari 1896 – Fischbach, 9 juli 1985), tweede dochter van Groothertog Willem IV,
was Groothertogin van Luxemburg van 1919 tot 1964.

Charlotte werd geboren op Kasteel Berg in Luxemburg. Op 15 januari 1919 volgde zij haar oudere zuster Maria Adelheid op, en op 6 november van dat zelfde jaar huwde zij Prins Felix van Bourbon-Parma, zoon van Robert I van Parma en een rechtstreekse afstammeling van Lodewijk XIV.

Tijdens de regering van haar zuster was er in Luxemburg een sterke stroming ontstaan voor de aansluiting bij Frankrijk. Die tendens werd door Parijs niet aangemoedigd, om de vriendschappelijke betrekkingen met België niet te vertroebelen. De nieuwe Groothertogin liet over deze kwestie op 28 september 1919 een referendum houden, waaruit bleek dat 78% van de Luxemburgers tégen de republiek en tégen een eventuele
aansluiting bij België was.

Haar bewind tussen de jaren 1920 en 1940 was er een van welvaart en sociale vrede. Het Groothertogelijke paar kreeg zes kinderen, die allen een geslaagd huwelijk sloten. Op 10 mei 1940, bij de Duitse inval, vertrok Groothertogin Charlotte met haar gezin en haar ministers naar de Verenigde Staten en daarna naar Londen, waar zij tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleef. Enthousiast zette de populaire Vorstin zich daarna in voor de wederopbouw van haar land, dat tijdens het Ardennenoffensief voor de helft verwoest was.

Dankzij het toerisme, de financiële instellingen en de staalindustrie verrees Luxemburg sterker dan tevoren uit het oorlogspuin. Door de vestiging van enkele belangrijke Europese instellingen kreeg het landje onder haar impuls internationale allure en verwierf het de hoogste levensstandaard van Europa. Ondanks de grondwetswijziging van 1919, die de Vorstelijke bevoegdheden aanzienlijk hadden beperkt, gebeurde er in Luxemburg maar weinig waar Groothertogin Charlotte zich niet direct of indirect mee bezighield.

Zelfs de oprichting van de populaire zender Radio Luxembourg was haar initiatief. Zij droeg op 4 mei 1961 de regering over aan haar oudste zoon Jan, als stadhouder, en deed 12 november 1964 te zijnen gunste volledig afstand van de troon, tot ergernis van haar echtgenoot Prins Felix (die in 1970 overleed, enkele maanden na hun gouden bruiloft). Sindsdien leidde zij een teruggetrokken leven
op het kasteel van Fischbach waar zij zich bezighield met haar hobby's: lectuur, muziek en tuinieren. Groothertogin Charlotte overleed op 89-jarige leeftijd op
Kasteel Fischbach. Haar stoffelijk overschot werd bijgezet in de kathedraal van Luxemburg.

Jean (Jan) Benoît Guillaume Marie Robert Louis Antoine Adolphe Marc d'Aviano

(Colmar-Berg, 5 januari 1921) was van 1964 tot 2000 Groothertog van Luxemburg. Jan werd geboren op 5 januari
1921 op het kasteel van Colmar-Berg, als oudste zoon van Groothertogin Charlotte en Prins Felix van Bourbon-Parma.
Bij de Duitse inval in 1940 verliet hij het land met zijn ouders.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog studeerde hij rechten en politieke wetenschappen aan de Universiteit van Québec en in oktober 1942 nam hij dienst bij het geallieerde leger, als officier bij de Irish Guards. In die hoedanigheid maakte hij begin september 1944 de bevrijding van Brussel mee, en overschreed hij enkele dagen later de Luxemburgse
grens te Rodange.

Hij kreeg verschillende militaire onderscheidingen en eretekens. Van 1951 tot 4 mei 1961 was de Prins lid van de Raad van State, daarna gedurende drie jaar 'luitenant-vertegenwoordiger', dat wil zeggen regent, van het Groothertogdom, tot hij op 12 november 1964 officieel zijn moeder opvolgde als Groothertog van Luxemburg. Op 7 oktober 2000 deed Jan troonsafstand ten voordele van zijn oudste zoon Hendrik.

Jan huwde op 9 april 1953 Prinses Josephine Charlotte, dochter van Koning Leopold III van België. Zij waren via hun (over)grootmoeders (Maria Anna van Bragança, moeder van Groothertogin Charlotte van Luxemburg en Maria José van Bragança, moeder van Koningin Elisabeth van België) verre familie van elkaar. Als kind al konden Joséphine-Charlotte en
Jan goed met elkaar opschieten.

Uit hun huwelijk werden vijf kinderen geboren:

  1. Marie Astrid (17 februari 1954), gehuwd met Carl Christian van Oostenrijk.
  2. Hendrik (16 april 1955), Groothertog, gehuwd met Maria Teresa Mestre.
  3. Jean (15 mei 1957), tweelingbroer van Margaretha, gehuwd met Diane de Guerre, eerder gehuwd geweest met Hélène Suzanne Vestur.
  4. Margaretha (15 mei 1957), tweelingzus van Jan, gehuwd met Prins Nicolaas van Liechtenstein, zoon van Vorst Frans Jozef II.
  5. Guillaume (1 mei 1963), gehuwd met Sibilla Sandra Weiller.

Op 10 januari 2005 verloor hij zijn vrouw Josephine Charlotte, die op 77-jarige leeftijd overleed.

Henri (Hendrik Albert Gabriel Félix Marie Guillaume (Betzdorf, 16 april 1955) is Groothertog van Luxemburg sinds 7 oktober 2000, toen zijn vader troonsafstand deed in zijn voordeel. Zijne Koninklijke Hoogheid Hendrik, bij de Gratie Gods Groothertog van Luxemburg, Hertog van Nassau, Prins van Bourbon-Parma, Graaf van Sayn, Königstein, Katzenelnbogen en Weilburg, Burggraaf van Hammerstein, Heer van Mahlberg, Wiesbaden, Idstein, Merenberg, Limpurg en Eppstein. Hendrik werd in 1955 geboren als zoon van Groothertog Jan en van Prinses
Josephine Charlotte van België.

Hij werd vernoemd naar Prins Hendrik der Nederlanden, die in de negentiende eeuw stadhouder van Luxemburg was. Hij kreeg een militaire opleiding aan de Koninklijke Militaire Academie Sandhurst en studeerde in oktober 1980 af aan de Universiteit van Genève in de politieke en sociale wetenschappen. Begin december 2008 raakte bekend dat de Groothertog niet van plan was het wetsvoorstel dat euthanasie legaliseerde,
te ondertekenen.

Daarop kondigde premier Jean-Claude Juncker aan dat het Hertogdom de grondwet zal veranderen en de prerogatieven van de Vorst zal inperken om een institutionele crisis te vermijden. Desgevraagd deelde de premier het volgende mee:

"Omdat wij een institutionele crisis willen vermijden, maar tegelijkertijd de mening van de Groothertog willen eerbiedigen, zullen wij in artikel 34 van de grondwet de term 'sanctioneren' schrappen en vervangen door 'afkondigen'. Dit betekent dat hij (de Vorst) enkel wetten zal afkondigen opdat ze in voege treden".

Hendrik leerde tijdens zijn studie Maria Teresa Mestre kennen, de dochter van een Cubaanse bankier
die in 1959 het Cuba van Fidel Castro had moeten ontvluchten en zich met zijn gezin in Zwitserland had gevestigd. Hij trad op 14 februari 1981 met haar in het huwelijk, ook al hadden zijn ouders
aanvankelijk bezwaren geopperd.

Het Groothertogelijk paar heeft vijf kinderen:

1.) Prins Willem (11 november 1981), Erfgroothertog van Luxemburg
2.) Prins Félix (3 juni 1984)
3.) Prins Louis (3 augustus 1986)
4.) Prinses Alexandra (16 februari 1991)
5.) Prins Sébastien (16 april 1992)

De Groothertog heeft op dit moment twee kleinkinderen. Op 12 maart 2006 werd hij grootvader van Gabriel, zoon van Louis en Tessy Antony.
Op 29 september hetzelfde jaar trouwde Louis met Tessy. Hij gaf daarbij zijn rechten op de troon op. Tessy en de kinderen van Prins Louis kregen de
achternaam "de Nassau". Zij kregen bij hun geboorte geen adellijke titel en de kinderen hebben geen recht op de troon. Op 21 september 2007
werd Noah, het tweede kind van Prins Louis en Tessy, geboren. Op 23 juni 2009 verleende Hendrik zijn schoondochter en kleinzoons de titel
Prins(-es). Tessy werd 'Prinses van Luxemburg' en Gabriel en Noah 'Prinsen van Nassau'.