Willem van Oranje

Prinsen van Oranje en Nassau

Willem van Oranje

Prins Filips Willem van Oranje

Filips Willem (Buren, 19 december 1554 - Brussel, 20 februari 1618), Prins van Oranje, Graaf van Nassau, Graaf van Buren, was de oudste zoon van Willem van Oranje en zijn eerste echtgenote Anna van Egmont. Filips Willem werd deels vernoemd naar de Spaanse koning Filips II. Nadat Willem van Oranje in 1568, het begin van de Nederlandse Opstand, de wapenen had opgenomen tegen Filips II, werd zijn zoon Filips Willem, die toen student was aan de Universiteit van Leuven, gevangengenomen en vanuit Leuven naar Spanje ontvoerd. Hij fungeerde als gijzelaar in Spaanse handen. Gedurende zijn lange verblijf in Spanje kreeg hij een katholieke opvoeding. Aan de universiteit van Salamanca voltooide hij zijn studies. Pas in 1596 mocht hij naar de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden reizen. Op dat moment kwam hij echter de Republiek niet in, omdat hij niet vertrouwd werd
en als vrome katholiek werd beschouwd en als aanhanger of spion van Spanje.


Prins Filips Willem van Oranje

Filips Willem op zijn sterfbed



Eleonora van Bourbon-Condé

Bij de dood van zijn vader in 1584 erfde Filips Willem het vorstendom Oranje. Bij het tekenen van het Twaalfjarig Bestand in 1609 ontving hij alle Nassause bezittingen in de Zuidelijke Nederlanden. Met zijn reeds protestantsgezinde broers Maurits en Frederik Hendrik voerde hij een felle strijd over de erfenis van zijn vader. Ook erfde hij van zijn vader het Graafschap Buren. Tijdens zijn gevangenschap in Spanje nam Filips Willem's zus Maria zijn taken in de Noordelijke Nederlanden waar.Op 23 november 1606 trad hij in Fontainebleau in het huwelijk met Eleonora van Bourbon-Condé (1587-1619), een nicht van de Franse Koning Hendrik IV, en een dochter van Hendrik I van Bourbon-Condé. Het huwelijk bleef kinderloos. Sinds 1596 woonde Filips Willem in de Zuidelijke Nederlanden in het Nassaupaleis te Brussel. Op verzoek van de Noordelijke Staten-Generaal hield hij zich niet bezig met politieke zaken.

In 1599 werd hij ridder in de Orde van het Gulden Vlies. Nadat hij in 1609 zijn rechten deels teruggekregen had en hij weer toegang had tot de Republiek, woonde hij korte tijd in Breda.Filips Willem overleed op 20 februari 1618 op 63-jarige leeftijd in Brussel na een verkeerde klysmabehandeling. Hij ligt begraven in de Sint Sulpitiuskerk te Diest. Filips Willem was heer van Diest, dat hij had verkregen na de dood van vader. Bij testament had hij al zijn bezittingen niet aan zijn vrouw, maar aan zijn halfbroer Maurits vermaakt. Bij datzelfde testament vermaakte hij als heer van Diest een grote som geld aan de parochie H. Sulpitius, opdat voor de altijd trouw katholiek gebleven Oranje-telg in Diest jaarlijks een plechtig requiem zou worden opgedragen door de lokale pastoor. Onlangs werd dit testamentum 'herontdekt' en werd de mis voor de overledene in ere hersteld. Diest eert hiermede Filips Willem als teken van de verbondenheid van de stad met het Huis van Oranje-Nassau.

Het leven en werken van Filips Willem ging bepaald niet over rozen, laat staan dat de zo geroemde maneschijn er invloed op had. Integendeel, voor elk van zijn bezittingen diende de Prins letterlijk te vechten. Dat was iets waar hij falikant op tegen was. Filips Willem was een groot voorstander van het voeren van diplomatiek overleg met de vijand. Die vorm van oplossen van problemen stond hij na. Ook in de strijd met zijn broers Maurits en Frederik Hendrik - hij was immers de oudste zoon van Prins Willem I van Oranje - werd geen middel door deze geschuwd om maar in het bezit te blijven van de uiterst grote en van fortuin voorziene nalatenschap van vader Willem. De eerste Prinsen uit het geslacht Nassau - buiten die uit het Huis Baux - bezochten hun onderdanen in Orange zeer zelden.

Wel betrad René van Nassau in 1534, vergezeld door zijn vader alsmede een groot schitterend gevolg de bodem van het Prinsdom. Hij moest wel. René vergezelde de Koningin van Frankrijk, Eleonora van Oorstenrijk, die op weg was naar Spanje. Tien jaren later - 1544 - stierf deze Prins en ging de titel zowel als de nalatenschap over op Prins Willem I van Oranje. De erfopvolger deed ook al niet veel moeite om Orange te bezoeken. Bovendien had Willem de Zwijger het drukker met staatszaken de Nederlanden betreffende dan zich sabbel te maken om het Prinsdom in Frankrijk. De rechtmatige opvolger, na het vermoorden van Prins Willem I, was uiteraard zijn oudste zoon Filips Willem. Doordat deze al op jonge leeftijd door Alva - in opdracht van Koning Filips II - was gekidnapt en naar Spanje werd overgebracht, kon deze
niet de nalatenschap opeisen.



Koning Filips II van Spanje

Het beheer over de hem toekomende bezittingen werd opgedragen aan zus Maria. Filips werd in Spanje al gauw bekeerd tot het katholieke geloof en naar Spaanse normen opgevoed. Het beoogde doel, verwijdering tussen vader en zoon Oranje door de Spaanse Koning, kende met deze ontvoering zijn eerste succes. Vooral de strijd om het Prinsdom Orange liet zijn sporen na. Immers, wie dat in zijn bezit had of zijn rechten op de titel kon laten gelden was Prins van Orange(Oranje). Een titel die meer waard was dan Graaf van een of andere heerlijkheid of fraai stuk land te spelen. De titel Prins van Oranje legde gewicht - ook internationaal - in de schaal. De gevangenschap van de oudste zoon van Willem van Oranje werd in 1596 beëindigd. Filips was vrij man maar werd in de Nederlanden en het Hof genegeerd. Het gerucht ging dat dit kwam door mogelijke Spaanse sympathieen.

Doordat het Edict van Nantes een einde maakte aan de vele godsdienstoorlogen en de vrede van Vervins - in 1598 - was getekend, herstelde de Prins van Oranje zich in zijn soevereiniteit. De door de Koning van Frankrijk, Hendrik IV, benoemde gouverneur van Orange, Blacons, die een waar schrikbewind voerde over het Prinsdom, was wel zo handig om zijn onderdanigheid in Brussel aan de Prins te betuigen. Getroffen door de betuigingen aan zijn adres alsmede de onmogelijkheid hem te vervangen door iemand ander, bevestigde Filips Willem hem vooralsnog in functie. Een baan waar de Gouverneur zijn macht zeer misbruikte, tegen alle fatsoensnormen in. Het belazeren van de boel was het minst dat Blacons deed. Het volk geselen en onderdruk zetten van slechts een bijzaak. Hoofdzaak was het alom geroemde geld, de poen oftewel de centen. Daar draaide het voornamelijk om. Rijk worden van het devies van dat soort mensen. Filips kreeg dus ook daar mee te maken.



Moeder Anna van Buren
van Egmont

Dankzij de hulp van Koning Hendrik IV, gelukte het de Prins van Oranje zijn macht te herstellen. De stad was verrast door de mededeling van hunne Hoogheden, dat zij met alle eerbewijzen wensten te worden ontvangen in hun Prinsdom. De raad besloot daarop de Prins en Prinses van Oranje, te ontvangen met alle denkbare eerbewijzen, betuigingen van gehoorzaamheid en onderwerping, die ware onderdanen hun soevereinen en wettige Prins verschuldig waren. Orange was geheel vervuld van vreugde.

De steden Courthézon, Jonquieres en Gigondas zonden hun vertegenwoordigers. De voornaamste edellieden en de hoge burgerij verenigden zich tot een indrukwekkend stoet die op 12 januari 1607 de Prins en Prinses van Oranje aan de oevers van Rhone opwachten. De schepen legden aan in de haven van Balthasar.Gedulig onderging het echtpaar de hulde van de onderdanen. Het Parlemen, de Geestelijkheid, de Predikanten, de Consuls en leden van de Raad hielden de ene toespraak na de andere afgewisseld doot een knetterend salvo van musketten. De poort van Orange was versierd met de wapens
van beide Hoogheden.

Filips Willem kreeg de gouden sleutels van de stad aangeboden. De Prins van Oranje kwam door dezelfde poort Orange binnen als waar hij vier jaren geleden door was gevlucht. De geschiedschrijver La Pise, die van deze plechtigheden getuigen was, heeft ons een levendig beeld nagelaten. 'De gevels der huizen in de straten, waardoor de Prins trok, waren met tapijten behangen en hij vond op zijn weg verschillende Triomfbogen een een scala aan voorstellingen ter ere van de grootheid van de Geslachten van Filips Willem van Oranje en Eleanora de Condé.' Prinses van Oranje.

De Prins was eindelijk heer en meester in zijn Prinsdom. Sedert zijn aankomst was Filips Willem er op uit om de orde in dat gebied te herstellen. Er was veel te doen omdat er veel was verwaarloosd door de vorige gouverneurs. Alle delen van de administratie, zoals financien, justitie alsmede de Kerk werden onderhanden genomen. Op 27 januarai 1607 gaf de Prins van Orange opdracht tot de benodigde onderzoeken voor een hernieuwde verklaring van de privileges van de burgers. De vroegste hiervan gingen terug tot vier eeuwen geleden. Charters werden onderzocht en ontcijferd.

Het Edict dat op 5 april 1607 werd opgesteld gaf een helder inzicht in deze materie. Op 25 april daarop volgend werd door Filips Willem met zoveel mogelijk pracht en praal aan de bewoners van het Prinsdom bekend gemaakt wat het Edict inhield. De annalen van het Parlement van Orange bevatte een lange beschrijving van deze plechtigheid. Notulist La Pise schreef in zijn begeleiding:' Zowel de stad Orange als het gehele Prinsdom was van het begin af aan dankbaar voor het verblijf van Filips Wille, Prins van Oranje alsmede zijn krachtdadig optreden. Als dit zo was doorgegaan, bestond er geen volk onder de hemel, zo gelukkig als dit.

Op de al eerder genoemde dag was er een stellage gemaakt tegen het midden van de grote muur, ongeveer 1,20m boven het grondniveau. Het was bedekt met Turkse tapijten en in het midden van dat plankier stond voorzien van drie treden - een fraai gebeeldhouwd stoel. Het was voorzien van een soort troonhemel vervaardigd van karmozijn fluweel, afgezet met een gouden bies. De muur erachter was bedekt met Vlaamse tapijten. Beneden stond tevens een bank met aan zijn linkerzijde een kleine tafel met ook een zetel daarvoor. Edict van Oranje
Het Edict van Orange
Edict van Orange
Filips Willem, regerend Vorst
Door klokgelui en trompet- geschal waren de mensen al om 9 uur 's morgens samengestroomd op het Cire-plein.De consuls van de stad Orange haalden tesamen met de edellieden van het Huis van Oranje, Rechtspresidenten, Leden van het Parlement en Notabelen, vergezeld van de schildknaap Mario Arzelles van Filips Willem, Zijne Hoogheid op. Aangekomen op de plaats van bestemming nam de Prins van Orange in de fraaie zetel plaats. In de uren die hierna volgden, spraken de Advocaat-Generaal van het Parlement en de eerst Consul, Filips Willem toe.
Daarna las de schrijver Jacques de la Pise het Edict voor, dat de vrijheden van de stad en haar burgers bevestigde, waarna de Prins de registratie gelastte. Vervolgende legden zowel de Burgerij als de Prins van Ornage de eed af zich te houden aan dit Edict. Deze plechtige bevestiging van de vrijheden der inwoners alsmede die van Oranje, was de eerste stap tot reorganisatie van het Prinsdom. Vervolgens kwamen alle steden en onderdelen van de Regering van het Prinsdom aan de beurt.

De eed van het Volk en de Prins van Orange

'Ce estre leur droicturier et souverain, et comme tel, levant la main droite á Dieu, ont promettent d'obeyr a ses Lois, edits et ordonnances, garder et observer tous les chappitres du serement de fidellité sellon les anciens en nouveau Droits et aultrement fere tout ce que doibvent vrais en fidelles subjects envers leur Prince Soeverain. Et moi dict Seigneur le Prince leur a promis et promet de les proteger, garantir et deffendre de son pouvoir, envers en contre tous, garder et faire garder et observer les Liberté, franchises, immunités et concessions.'

Andere even belangrijke verplichtingen riepen Filips Willem al snel terug. In de laatste maanden van het jaar 1608 verliet hij het Prinsdom om naar Brussel te gaan. Ondanks de strubbelingen die hem daar te wachten stonden, verminderde zijn zorg tegenover zijn onderdanen niet. Zeer veel ordonnantiën gedateerd uit de jaren 1608 t/m 1615 werden door de Prins van Oranje uitgevaardigd. De meesten ervan hadden betrekking op de toegestane vrijheden, het herstel van de verwoestingen aangericht door slecht functionerende gouverneurs en vele andere zaken.De Prins kwam nog een keer terug in Orange waar gouverneur Cocquelmonde - door hem benoemd - werd verdacht het voorbeeld van zijn voorgangers te willen navolgen. Filips Willem arriveerde op 24 september 1615 en bracht daar de winter door. Hij hield zich bezig met het kasteel te herstellen, het te verfraaien en feesten te geven voor naburige Heren.

Bovendien reisde Filips Willem veelvuldig naar de stad Avignon, waar de Prins met de groots mogelijke eer werd ontvangen aan het Hof van de vice-legaat. Gedurende dit verblijf in het Prinsdom,overstelpten de bewoners hem met veel bewijzen van genegenheid. Filips Willem van zijn kant, schonk de bevolking kostbare gunstbewijzen.Toen zijn onderdanen op 18 februari 1618, de goede gezondheid van hun heerser vierden met feesten en vuurwerk, kon niemand vermoeden dat het leven van Filips Willem, Prins van Oranje spoedig ten einde zou lopen. Een onhandigheid van een chirurgijn werd door de Prins heel duure betaald: met zijn leven. De aderlating en het toegediende klysma, luidde voor Filips Willem Prins van Oranje, Oudste zoon van Prins Willen I 'de Zwijger' van Oranje
het einde van het aardse tijdperk in.

Hij werd begraven - luidens zijn laatste wil - in Diest in Belgie.Op 1 april 1618 werd Filips Willem bijgezet in een grafkelder onder het hoogkoor van de Sint Sulpitiuskerk van Diest. Deze plaats lag het dicht's bij Brussel zoals aangegeven in zijn testament. Een plaats in de grafkelder in de Nieuwe Kerk te Delft was dus uitgesloten omdat de overledene dit niet had gewenst. De speciaal gebouwde grafkelder ligt in het midden van het koor en is afgedekt door een zerk van zwart marmer. De huidige plaat op het graf is in 1965 geplaatst bij de viering van de Unie van Oranjesteden (Breda, Diest, Dillenburg en Orange). De oude zerk werd geplaatst in de muur achter het hoogkoor. Op de grafzerk staat een Latijnse tekst die vertaald als volgt luidt:

Graf  Filips Willem
Graf Filips Willem, Prins van Oranje
Aan God, de opperste en grootste
Ingang van de begraafplaats
Van de Doorluchtige Prins
Filips Willem
Prins van Oranje
Graaf van Nassau, enz.
Overleden te Brussel
20 februari 1618
Hij ruste in Vrede

Oranje
Wapen Orange in Vlag
Onder de grafsteen voeren twaalf treden naar een kleine catacombe. Deze moest in 1618 speciaal gegraven worden om de Prins ten graven te kunnen dragen. De vorst ligt gebalsemd in een loden kist, aan het voeteneinde staat een cilindervormig tonnetje met diens hart en ingewanden. In 1740 werd de kelder geopend maar de reden daarvoor blijft onduidelijk. In 1851 werd in het hoogkoor een nieuwe vloer gelegd. Daarbij werd ook de steen gelicht van de grafkelder. Van deze opening is een uitgebreid verslag gemaakt waaruit naar voren komt dat de loden kist nog intact is maar dat de houten kist daaromheen grotendeels vergaan was. In december 1944 werd de kelder wederom ontsloten, ditmaal om te kijken hoe de resten hersteld zouden moeten worden. Bij deze opening werden ook foto's gemaakt door het Koninklijk Kunstpatrimonium. Hierna werd een correspondentie gevoerd met het Nederlandse Koningshuis aangaande de staat en de wijze waarop het onderhoud diende te geschieden. Koningin Wilhelmina liet vanuit Londen blijken dat zij hoopte dat het stoffelijk overschot van Filips Willem naar Delft zou kunnen worden overgebracht. Dit laatste zou evenwel niet in lijn zijn met de laatste wil van de overledene zelf, zo werd voorzichtig vanuit België kenbaar gemaakt.

In 1947 werd de kelder wederom geopend om twee afgevaardigden van de Koningin te laten zien wat de situatie was. Geconstateerd werd dat de gekalkte muren en het gewelf afgeschilferd waren en dat de loden bodem en het tonnetje met de ingewanden erg aangetast waren. De houten kist was nu bijna geheel verrot en de ijzeren staven waarop de kist rustte bijna geheel doorgeroest. Het besluit viel om een voorstel tot restauratie te maken. Om te kijken in welke staat het stoffelijk overschot in de loden kist was, werd in juli 1948 ook de binnenkist geopend.

Er werd een officieel verslag van de opening gemaakt maar het nut om de kist te openen leek meer ingegeven door nieuwsgierigheid dan door

Kaart van het Prinsdom Orange omstreek 1600

wetenschappelijke redenen. Het Stadsbestuur en de Kerkenraad dachten waarschijnlijk interessante zaken in het graf te zullen aantreffen. Maar dat viel tegen. In het verslag komen een aantal zaken naar voren die meer zeggen over de werkelijke reden om de kist te openen: "Geen enkel document, sieraad of attribuut werd in de kist gevonden. Evenmin werden sporen ontdekt van een statiekledij".

Bij een van de openingen werd door de toenmalige koster een foto genomen van de loden grafkist waarvan een prentbriefkaart werd gemaakt. Deze kaart bereikte in 1960 het Koninklijk Huisarchief in 's-Gravenhage alwaar het kiekje leidde tot een storm van verontwaardiging.

Door de Kerk, die het voorval zeer betreurde, werd de prentbriefkaartuit roulatie genomen maar in Flandria Nostra was al een foto gepubliceerd. Later werd de foto nog een aantal malen gepubliceerd en werd er veel gespeculeerd over de Prins en ook over een mogelijke restauratie. Zover is het nooit gekomen. De kelder heeft wel een nieuwe deksteen maar daaronder rust de Prins nog steeds zoals hij dat vanaf 1 april 1618 heeft gedaan. Wie de Sint Sulpitiuskerk in Diest bezoekt twijfelt waarschijnlijk of hij wel goed is. Aan de buitenzijde staan enkele steigers die wijzen op een restauratie of herstel. Eenmaal binnen zien het schip en de zijbeuken van de kerk eruit alsof hier al jaren niet meer onderhoud heeft plaatsgevonden.

De tegelvloer is hier en daar ingezakt en elders staan hele plassen water. Wie langs de muren en pilaren naar boven kijkt ziet dat het water langs allerlei plaatsen naar beneden lekt. Het ruikt bedorven en schimmelig. Op de pilaren hangen mededelingen dat de Kerkfabriek niet verantwoordelijk is voor de staat van onderhoud. Toch is de kerk rijk aan enkele grote kunstschatten en ziet het koor van de kerk er aanmerkelijk beter uit. Er is zelfs een Museum voor Religieuze Kunst ingericht. Maar wie dan in het hoogkoor oog in oog komt te staan met het graf van de oudste zoon van Willem van Oranje heeft even geen oog meer voor de omgeving.

Orange is een stad in het departement Vaucluse, de gemeente in de Provence is 74,2 km2 groot en telt een 30.000 inwoners. Rond de stad is veel wijnbouw van de streek Côtes du Rhône, met bekende wijnen als Châteauneuf du Pape. Orange was jarenlang het centrum van de handel in sinaasappelen, wat zijn invloed heeft gehad op de Franse aanduiding voor deze vrucht (orange), en vandaar ook op de aanduiding voor de kleur oranje. Orange is een van de vier steden die samen de in 1963 opgerichte Unie van Oranjesteden vormen: Breda, Diest en Dillenburg.

Eglise St. Florent

St. Florent Kerk in Orange

Romeins theater Orange

Romeins Theater in Orange

Orange luchtopname

Centrum stad Orange

De stad Arausio, het latere Orange, werd rond 35 tot 30 v.Chr.gesticht door de veteranen van het IIe Gallische Legioen. De naam Arausio werd afgeleid van de naam van een plaatselijke Keltische watergod. Volgens de overlevering werd in 793 de stad door een hoveling van Karel de Grote, Guillaume au Cornet, op de Saracenen veroverd. Hij werd graaf van Orange en stichtte er aan het eind van zijn leven een klooster en liet het al zijn bezittingen na. In 1096 nam de Graaf van Orange deel aan de Eerste kruistocht. In 1150 liet de laatste Prinses van Orange, Tiburge, het Prinsdom aan het huis des Baux na. In 1393 ging vervolgens het Prinsdom over in handen van de familie de Châlon en in 1530 stierf Philibert, de laatste van dat huis en erfde René van Nassau (ook genoemd René van Châlon) het Prinsdom. Zijn devies was: Châlon Maintiendrai).
Guillaume of Orange

Guillaume Henri
Eerste heerser Orange

Guillaume-Henri

Munten met naam Guilliaume Henri

Oudste afbeelding Wapen Prinsdom Orange

Het oudst vermeld
wapen Orange

Hij was Heer van Breda en Prins van Orange, maar ook hij overleed zonder nageslacht en zo kwam het Prinsdom aan zijn neef Willem de Zwijger. De stad werd hiermee betrokken in de geloofsstrijd die zich overal in Europa manifesteerde. In 1562 vond er een strafexpeditie plaats tegen de protestanten die zich in de stad verschanst hadden. Een zware strijd volgde maar het Prinsdom bleef echter in handen van de Oranjes en Prins Maurits versterkte de stad en liet een moderne burcht9 voor die tijd) bouwen. Nu is dit slechts een ruine. Het rampjaar 1672 had ook voor Orange gevolgen. In 1673 slaagde Lodewijk XIV er in het kasteel volledig te verwoesten. In 1702, na de dood van Stadhouder Willem III, ging het Prinsdom over op de Prinsen van Bourbon-Conti en dat betekende in 1703 het einde van het Protestantisme.

Lodewijk XIV nam de stad in en zij moesten allemaal vertrekken. Bij de vrede van Utrecht in 1713 werd de inlijving bij Frankrijk voorgoed erkend. In 1731 maakte de Franse Koning het Prinsdom onderdeel van de Dauphiné en hield het gebied als zodanig op te bestaan. Orange is nu een stad met een eerbiedwaardig verleden en buiten de wijnen en het fruit verkrijgt het zijn inkomsten uit het toerisme. Ook is Orange bekend om zijn beroemde oude Romeinse gebouwen, waarvan het Theater er een van is. De Kepi Blanc (Het Vreemdelingenlegioen) Légion étrangère (fr.) heeft er een kazerne. Het Korps staat bekend om zijn buitengewone discipline. Overigens is het hoofkwartier van deze strijdmacht gevestigd in het Franse Aubagne.

Het Vreemdelingenlegioen van Frankrijk (Frans: Légion étrangère) is een elite-onderdeel van het Franse leger. Het Legioen heeft altijd bestaan uit mannen tussen de leeftijd van 17 en 40 jaar. Alle officieren zijn Frans terwijl de rest van het legioen van allerlei nationaliteiten is. Legionairs kunnen opklimmen tot de rang van majoor. Een legionair tekent aanvankelijk voor vijf jaar. Na drie jaar dienst kan de legionair de Franse nationaliteit krijgen.

Een legionair kan toetreden onder een nieuwe identiteit. Hierdoor had het legioen in het verleden de reputatie allerlei criminelen aan te trekken. Tegenwoordig wordt de achtergrond van sollicitanten gecontroleerd bij Interpol en Europol. Het hoofdkwartier bevindt zich in het Franse Aubagne, net buiten Marseille.

Légion étrangère

Het Franse Vreemdelingenlegioen, kwam tot stand op 9 maart 1831 via een wetsvoorstel door Louis Philippe. Dit wetsvoorstel werd aangenomen en is per 10 maart 1831 van kracht geworden. Daarna kon met de vorming van de verschillende regimenten begonnen worden. Louis Philippe, toenmalig Koning van Frankrijk, deed dit mede om de oorlog in Algerije te ondersteunen.

Het Franse Vreemdelingenlegioen in deze vorm ondersteunde de Franse reguliere troepen in onder andere, Algerije vanaf augustus 1831 en bood hulp aan Isabella II van Spanje vanaf juni 1835 tot 1838. Na de campagne in Spanje, waar tenminste 3500 legionairs de dood vonden, besloot generaal Bernelle dat de voertaal voor een ieder het Frans zou moeten zijn.

Dit bevorderde de cohesie en vergemakkelijkte de bevelstructuur. Op 16 december 1835 werd een tweede regiment opgericht dat zich verdienstelijk maakte in onder andere Constantine (1837), Djidjelli (1839), Millianah (1840), Zaatcha (1849), Ischeriden (1857). Ten tijde van de imperialistische oorlog werd het Franse Vreemdelingenlegioen ingezet bij onder andere de belegering van Sebastopol (1854-1856), en verder in Italië (1859) en in Mexico waar een klein detachement vrijwilligers van het Franse Vreemdelingenlegioen, onder leiding van kapitein Danjou, een immens grote overmacht van Mexicanen voldoende wist te vertragen om de reguliere troepen de tijd te geven bescherming te bieden aan een geldtransport. Nadien is het Vreemdelingenlegioen onophoudelijk vertegenwoordigd geweest in de overzeese gebieden van het Franse rijk. In Tonkin, vanaf 1883, op het eiland Formose (1885), in Soudan (1892-1893), in Dahomey (1892-1894), in Madagaskar (1895-1905) en in Marokko (1900-1934).

Aanvankelijk bleek het legioen een effectieve manier te zijn om sommige "ongewenste" elementen uit de 19e-eeuwse Franse samenleving te verwijderen, omdat het legioen toentertijd grotendeels bestond uit moordenaars, bedelaars, criminelen en immigranten. Tijdens de vroege periode van het legioen waren de legionairs erg slecht opgeleid en kregen zij slechts de meest eenvoudige uitrusting, kleding en voedsel. De eenheid was gewoonlijk slecht gemotiveerd. Het leven en de werkomstandigheden waren slecht en de veldtochten waren dan ook bloedig. De taak om een goede eenheid te smeden uit slecht gemotiveerde mannen, vaak zonder militaire achtergrond en dan ook nog eens uit de meest uiteenlopende culturen bleek enorm moeilijk. Om dit te bereiken ontwikkelde het Franse Vreemdelingenlegioen al spoedig een zeer strenge discipline die ver boven alle andere eenheden ter wereld uitstak. Zowel fysieke straffen, als celstraffen, voor de meest uiteenlopende kleine tot grote vergrijpen, waren aan de orde van de dag. Als gevolg hiervan was
desertie traditioneel een belangrijk probleem voor het legioen.