OranjelogoDe Huizen van Oranje en NassauNassau
Van Oranje-Nassau-Lippe-Biesterfeld
Vlag BelgieVlag NederlandGouden KroonVlag LuxemburgVlag Duitsland

Vorstinnen van Oranje en Nassau

Bernhard Prins der Nederlanden

Bernhard Leopold Frederik Everhard Julius Coert Karel Godfried Pieter (Jena, 29 juni 1911 - Utrecht, 1 december 2004), Prins der Nederlanden, Prins van Lippe-Biesterfeld, Noble Seigneur en Graaf van Schwalenberg en Sternberg. Graf von Biesterfeld, Bernhard Leopold Friedrich Everhard Julius Kurt Karl
Gottfried Peter tot 24 februari 1916. Prinz zur Lippe-Biesterfeld, Bernhard Leopold Friedrich Everhard Julius Kurt Karl Gottfried Peter, van 24 februari 1916
tot 6 januari 1937. Daarna was hij de Prins-gemaal van Koningin Juliana der Nederlanden en vader van Beatrix, de huidige Koningin der Nederlanden. De
Prins werd van 1937 tot 1980 aangeduid als Zijne Koninklijke Hoogheid de Prins der Nederlanden.

Prins Bernhard

De tak Lippe-Biesterfeld werd gesticht door Jobst Herman (1625-1678), jongste zoon van Simon VII van Lippe-Detmold. Van Lippe-Biesterfeld werd later de linie Lippe-Weißenfeld afgescheiden. Beide Graafschappen werden in 1763 verkocht aan Lippe-Detmold. Toen in Lippe in 1895 de geesteszieke Vorst Alexander de troon besteeg, werd volgens een tot dan geheim gehouden decreet van zijn voorganger Woldemar Adolf van Schaumburg-Lippe, zoon van Vorst Adolf I George van Schaumburg-Lippe, tot regent benoemd.

Er brak tussen de linies Schaumburg-Lippe en Lippe-Biesterfeld een dispuut uit over de erfopvolging, dat door bemiddeling van Koning Albert van Saksen definitief werd beslist in het voordeel van de laatste. Woldemar Adolf werd aldus vervangen door Ernst van Lippe-Biesterfeld, die na zijn dood in 1904 als regent werd opgevolgd door zijn zoon Leopold. Deze besteeg na Alexanders kinderloze dood in 1895 als Leopold IV de troon, maar moest in de November revolutie van 1918 evenals alle andere Duitse Vorsten troonsafstand doen. Bernhard Leopold Friedrich Eberhard Julius Kurt Karl Gottfried Peter Graf von Biesterfeld kwam in Jena ter wereld, dat destijds in het Groothertogdom Saksen-Weimar-Eisenach lag. Hij staat in de Burgerlijke Stand van Jena vermeld als geboren op 28 juni 1911 om 2.45 u.

Volgens de Prins was dit een foutieve vermelding. Daarom vierde hij zijn verjaardag op 29 juni, de datum die ook in zijn trouwakte is gezet. Er is echter geen bewijs dat 29 juni correct is. Hij was de oudste zoon van Prins Bernhard van Lippe-Biesterfeld (1872-1934), een broer van de laatste regerende Vorst van Lippe, Leopold IV. Zijn moeder was de Barones Armgard von Sierstorpff-Cramm (1883-1971). Het huwelijk tussen de ouders van Prins Bernhard werd als morganatisch aangemerkt.
Pas in 1916 verleende de Vorst van Lippe aan Bernhard alsnog de titel van Prins zur Lippe-Biesterfeld met het predicaat Doorluchtige Hoogheid. Hij had
één jongere broer, Aschwin (1914-1988). Toen Adolf Hitler aan de macht kwam, sprak deze Aschwin openlijk zijn steun aan de Nazi's uit; vervolgens werd
hij officier in de Deutsche Wehrmacht. Bernhard's jeugdjaren op het landgoed van zijn ouders, Reckenwalde, verliepen gemoedelijk. Na enige jaren
privélessen doorliep hij de kostschool en ging daarna naar het gymnasium te Berlijn waar hij, 18 jaar oud, zijn diploma haalde. Na rechtenstudies in
München en Lausanne studeerde de Prins in 1935 af in Berlijn en ging direct werken bij Berlin NW-7, de spionagedienst van het chemiebedrijf
IG Farben
. Hij was lid geworden van de Sturmabteilung (SA) van de NSDAP en eveneens van de Reiter-SS.

Zijn NSDAP-lidmaatschap heeft de Prins eind 1995 echter ontkend. Hetgeen een nogal vreemde bewering is, aangezien de SA en de SS onderdelen van de
NSDAP waren. Nadat het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie bewijs voor zijn NSDAP-lidmaatschap presenteerde, bleef hij volhouden niet
zelf lid te zijn geworden. Mogelijk is hij lid gemaakt door anderen met wie hij in die jaren bevriend was. Duidelijk is, dat de contributie tijdens zijn
lidmaatschap wel steeds en nauwgezet betaald werd. Door wie is een raadsel. In de loop der jaren is meer bekend geworden over Bernhard's activiteiten
vooraf aan de Tweede Wereldoorlog. Hij zou, op niet geheel duidelijke wijze, steun hebben verleend aan executies van SA-mensen door de SS in de
Nacht oud-Rijkskanselier Heinrich Brüning.

Bovendien is Brüning langdurig door de Gestapo vervolgd, waar Bernhard bij geholpen zou hebben. Ook de Abwehr-medewerker Michael Graaf
Soltikow
, die Bernhard nog uit zijn studietijd kende, heeft Bernhard in SS-uniform ontmoet. Verder vertelt de kunsthandelaar Paech dat de Prins,
in unform, zou hebben gepost voor Joodse winkels. Een foto in het archief van het NIOD in SS-uniform, zou zijn verdwenen, waarbij alleen het
onderschrift bewaard is gebleven.Bernhard zou Prinses Juliana in 1936 voor het eerst tijdens een skivakantie in het Duitse Garmisch-Partenkirchen
hebben ontmoet. Dat was niet helemaal juist want de relatie was al eerder tijdens een geheime ontmoeting in Amsterdam gearrangeerd en de
ontmoeting nu in Garmisch-Partenkirchen, verloofden zij zich op 8 september 1936.

Op 4 november 1936 kreeg Bernhard het Nederlands staatsburgerschap en een maand later op 4 december 1936 kwam de benoeming tot luitenant
-ter-zee der eerste klasse én ritmeester à la suite
. Op 23 december werd Bernhard ten overstaan van de Koningin, zijn verloofde en zijn broer
Aschwin op het Malieveld tot officier a la suite bij de Nederlandse Land- en Zeemacht en het KNIL beëdigd. Het huwelijk vond op 7 januari 1937 plaats
in Den Haag. Tijdens een galaconcert op de avond voor het huwelijk werd het Horst-Wessel-Lied (het lied van de NSDAP en de SA) gespeeld en
brachten zelfs aanwezigen de Hitlergroet. Dit galaconcert had een officieel karakter, waarbij volgens het protocol de volksliederen van beide landen
zouden worden gespeeld. Daaraan werd echter bovendien het Horst-Wessel-Lied als partijhymne toegevoegd.

Dirigent Peter van Anrooy weigerde dit lied te dirigeren en droeg het stokje over aan de dirigent van de Koninklijke Militaire Kapel. Joodse leden van
het aanwezige orkest, verontwaardigd over de gang van zaken, verlieten voortijdig de zaal. Bernhard kreeg bij Koninklijk Besluit van 6 januari 1937
de titel Prins der Nederlanden met het predicaat Koninklijke Hoogheid. Met het ontvangen van het Nederlanderschap veranderde Bernhards
achternaam van zur Lippe-Biesterfeld in van Lippe-Biesterfeld. Door het opgeven van de Duitse nationaliteit door zijn huwelijk met Juliana verloor
Bernhard de mogelijkheid vrij over zijn Duitse bankrekening te beschikken. Bernhard gebruikte daarna in 1937, een bedrag van 200.000 gulden
om het bos rondom zijn ouderlijk huis te kopen.

Koningin Juliana en Prins Bernhard kregen de volgende kinderen:

  • Beatrix (1938)
  • Irene (1939)
  • Margriet (1943)
  • Marijke (1947), die later haar tweede voornaam "Christina" als roepnaam koos.

Daarnaast verwekte Bernhard (voor zover bekend) twee buitenechtelijke kinderen:

Alicia de Bielefeld (1952) bij een Duitse pilote en dochter van de raketdeskundige Wernher von Braun.
Dit werd pas na Bernhards overlijden bekend.

Alexia Grinda (1967) bij zijn Parijse maîtresse Hélène Grinda.

Dat de Prins nog meer buitenechtelijke kinderen zou hebben, valt niet met zekerheid vast te stellen. Het is ook nimmer bevestigd door betrouwbaar
onafhankelijk onderzoek. Bernhard wilde dat zijn erfenis onder zijn zes dochters verdeeld zou worden. Opvallend is dat de namen van de twee
buitenechtelijke dochters en meerdere van Bernhards kleinkinderen sterk lijken op de naam van kolonel Alexei Pantchoulidzew, een bediende en later
levens-/huisgenoot van Bernhards moeder Armgard. De naam Alexander is echter ook kenmerkend voor de Oranje-dynastie. Helaas verliep het
huwelijksleven van Bernhard en Juliana bepaald niet vlekkeloos.

De Greet Hoffmans affaire heeft zijn invloed wel nagelaten. Er diende een commissie van zware politici aan te pas te komen om een echtscheiding,
die voor allen die daarbij betrokken waren funest zou zijn, te voorkomen. Met veel pijn en moeite gelukte dat. Tegenover de buitenwereld wekten
beiden de indruk dat zij (naarmate de jaren vorderden) affectie voor elkaar koesterden. Zo vierden zij op 30 april 1987 hun 50-jarig huwelijksjubileum
met een groot defilé op paleis Soestdijk, hetgeen een waar volksfeest werd.

De Tweede Wereldoorlog was een belangrijke periode in het leven van de Prins. Hij hield aan deze tijd verschillende hoge onderscheidingen over. Toen Duitsland Nederland binnenviel vluchtte de prins met zijn gezin naar Londen. Onmiddellijk na aankomst daar maakte hij een tot nu toe onopgehelderde reis naar het nog niet door de Duitsers veroverde Parijs. Hij bood zijn diensten aan bij de Britse geheime dienst. Hij werd, als Duitser, door de Britten gewantrouwd en mogelijk geschaduwd door
Ian Fleming van de marine-inlichtingendienst.

Op 25 juni 1940, drie dagen na de Franse capitulatie, sprak hij voor de Overseas Service van de BBC over Adolf Hitler als een Duitse tiran en sprak hij al zijn vertrouwen uit in de Britse overwinning op het Groot-Duitse Rijk. Op 13 november 1940 werd Bernhard verbindingsofficier tussen de Nederlandse en Britse strijdkrachten.

Gedurende de oorlog zou de Nederlandse diplomaat en latere minister dr. Joseph Luns, die achtereenvolgens attaché was in neutraal Zwitserland (1940), neutraal Portugal (april 1941) en ambassade-secretaris van de Nederlandse regering in ballingschap bij het Britse Rijk (vanaf 1943), voor de Prins contact met Armgard en overige familieleden op Duits grondgebied blijven onderhouden via zijn contacten in de neutrale landen Portugal en Spanje.

In het najaar van 1940 kreeg de Bernhard vliegles op Hatfield en behaalde daar zijn vliegbrevet. In 1944 was hij driemaal bemanningslid van een Amerikaanse bommenwerper. Ook maakte hij enkele vluchten als piloot van een eenpersoonsjager. Regelmatig bezocht hij in Engeland Nederlandse militairen. Op
12 juni 1943 had Bernhard aldaar het 322 Spitfire Squadron RAF opgericht.

Squadron 322 werd tot het einde van de oorlog ingezet voor escortemissies, bestrijding van V-1 vliegende bommen en grondaanvallen op het Duitse leger. Tijdens de oorlog legde de Prins contacten met de stafchef van het hoofdkwartier van Dwight D.Eisenhower, de Amerikaanse generaal Walter Bedell Smith.



Prins Bernhard na de oorlog

De Prins zou de operatie hebben ontraden omdat snel oprukken van een tankdivisie van Nijmegen naar Arnhem onmogelijk zou zijn. Het polderlandschap
bood daartoe niet voldoende mogelijkheden. Ook de Amerikanen zagen weinig heil in operatie Market Garden. De Britse veldmaarschalk zette echter
door met het bekende negatieve resultaat. Er bestaan hardnekkige geruchten, dat de plannen voor de operatie door of via Prins Bernhards hoofdkwartier
door de spion Christiaan Lindemans (alias King Kong) werden verraden aan de Duitsers. Bernhard was aanwezig bij de onderhandelingen tussen
de Duitse generaal Blaskowitz en de Canadese generaal Foulkes op 5 mei 1945 in Hotel De Wereld in Wageningen.
De Prins reed die dag in een bijzonder vervoersmiddel.

Het was de buitgemaakte Mercedes Cabriolet van Arthur Seyss-Inquart. Een dag eerder, 4 mei, hadden alle Duitse troepen in Noordwest Europa
(inclusief Nederland) al gecapituleerd voor de Britse veldmaarschalk Bernard Montgomery. Op 6 mei werd even buiten Wageningen nog wel een
document getekend dat de capitulatie der Duitse troepen in Nederland verder regelde. Prins Bernhard was hierbij niet aanwezig. Er doen geruchten de
ronde dat deze voorstelling voor het publieke oog in elkaar is gezet door de Geallieerden. Dagen eerder had het Duitse Leger zich al over gegeven en
was de capitulatie allang een feit. Voor de media en het volk werd deze vertoning simpelweg overgedaan. Zo had een ieder zijn zin.
Het volk was gerustgesteld en de media hadden hun nieuws.

Prins Bernhard op bezoek in Dachau

Bernhard was grondlegger en eerste voorzitter van het Wereld Natuur Fonds in 1961 en een van de twee oprichters van de Bilderbergconferentie, een internationale politieke groepering, waarvan de samenstelling enigszins varieert, die jaarlijks bijeenkomt om over wereldpolitiek en het idee van Europese eenheid onder geheimhouding te praten zoals die zowel achter een vermomming als ten koste van constructieve trans-Atlantische relaties werd en wordt ontwikkeld en welke hij van 1954 tot 1976 officieel voorzat.

In eigen land was Bernhard regent van de stichtingen Praemium Erasmianum en Anjerfonds. De door deze stichtingen toegekende prijzen en onderscheidingen had hij zelf ingesteld hij reikte ze meestal zelf uit. In 1975 werd de Prins beschermheer van AMREF Flying Doctors Nederland, een organisatie die zich inzet voor betere gezondheid in zeer arme gebieden zoals Afrika.

Zijn kleinzoon, Kroonprins Willem-Alexander, nam het beschermheerschap in 1999 van hem over. Ook was hij tot 1976 goodwill-ambassadeur van het Nederlandse bedrijfsleven in het buitenland. Hij was commissaris van de vliegtuigfabriek Fokker. Naast deze functies bekleedde hij ook enkele
militaire functies.

Zo was Bernhard adjudant van Koningin Wilhelmina, die hem aan het eind van de Tweede Wereldoorlog tot bevelhebber van de Binnenlandse Strijdkrachten benoemde. Tussen 1946 en 1976 was de Prins Inspecteur-Generaal van de Koninklijke Landmacht, Luchtmacht en Marine.

In 1976 werd bekend dat Bernhard betrokken was bij smeergeldaffaires, o.a. de Lockheed-affaire. Onder de vele bewijzen voor het aannemen van
steekpenningen was een brief van de Prins zelf waarin hij om betaling verzocht. Ook werden bewijzen gevonden dat hij betrokken was bij het betalen van
steekpenningen aan de Argentijnse junta onder Juan Perón, opdat men Nederlands rollend materieel van Werkspoor zou kopen. Een rapport van een
driehoofdige onderzoekscommissie (Commmissie Donner) beoordeelde een aantal handelingen van de Prins als laakbaar. Deze uitkomst had belangrijke
politieke consequenties: Koningin Juliana overwoog, in geval Jusitite zou besluiten tot vervolging van Bernhard, af te treden.

Kroonprinses Beatrix gaf aan haar moeder dan niet te willen opvolgen. Hiermee kwam het toenmalige kabinet o.l.v. Joop den Uyl in een lastig parket.
In het land liepen de emoties tussen voor- en tegenstanders van de monarchie hoog op. Staatssecretaris van Volkshuisvesting Marcel van Dam dreigde
(zo kwam jaren later naar buiten) met aftreden als de Prins niet, gelijk aan iedere staatsburger, zou worden vervolgd. Aan de andere kant beseften vele
betrokkenen dat het land, met toentertijd forse economische tegenwind, niet op een crisis binnen de monarchie zat te wachten.

De Minister-President slaagde er in een compromis te ontwikkelen waarmee, na uitvoerig overleg, de Staten-Generaal akkoord ging. Besloten werd de zaak niet voor de rechtbank aanhangig te maken. Om het geschokte rechtsgevoel te bevredigen werd Bernhard uit zijn functie als Inspecteur-Generaal van de Koninklijke Landmacht, Marine en Luchtmacht gezet, alsmede af te zien van nog enkele openbare functies. Ook werd hem verzocht het dragen van militaire uniformen achterwege te laten. Premier Den Uyl kon hem dit niet verbieden omdat elke oud-militair gerechtigd is zijn uniform te dragen.

Later werd bekend dat het bij de Lockheed-affaire ging om een bedrag van 1,1 miljoen dollar. Achteraf zou de Prins, in een na zijn dood gepubliceerd interview met de inmiddels eveneens overleden journalist Martin van Amerongen (De Groene Amsterdammer) stellen dat hij het als een grote fout van zichzelf zag om dat geld aan te nemen; geldgebrek speelde voor hem namelijk geen rol, aldus Bernhard, het volledige bedrag zou hij gedoneerd hebben aan het Wereld Natuur Fonds. Tijdens het onderzoek naar de Lockheed-affaire werden ook documenten ontdekt waaruit zou blijken dat de Prins ook door een andere vliegtuigfabrikant, namelijk Northrop, was omgekocht.

Dit werd pas in 2008 publiek bekend. Toenmalig premier Den Uyl hield de openbaarmaking van de bijlage van het rapport van de commissie-Donner die aan dit tweede schandaal was gewijd, echter tegen. Hiermee voorkwam hij dat strafvervolging tegen Bernhard onafwendbaar werd en Koningin Juliana zou moeten aftreden. Op Prinsjesdag 1976 verscheen Prins Bernhard voor het eerst niet in uniform.

Lockheed SR-71 Blackbird

Echter, een paar jaar later gaf premier Van Agt de Prins al incidenteel toestemming het uniform weer te dragen. In 1991 vroeg toenmalig
Minister President Lubbers de Prins zijn uniform weer aan te doen. Dit weigerde hij, wel gaf hij aan in uniform begraven te willen worden.
In het Parool van 13 maart 1991 verscheen een spotprent van Joep Bertrams. Hierop was Juliana afgebeeld achter de naaimachine,
ze herstelde het uniform van de Prins. In 2004 schreef Prins Bernhard een open brief aan de Volkskrant waarmee hij trachtte zijn naam te zuiveren.
Hij had de oud-directeur van de Rijksvoorlichtingsdienst, Hans van der Voet, gevraagd onderzoek te doen naar vier onderwerpen:
  • verhalen over het vermeend losbandige leven van zijn moeder, Armgard von Sierstorpff-Cramm;
  • de vermeende nazi-sympathieën van zijn moeder;
  • de twee zonen die Bernhard in Londen zou hebben verwekt;
  • een brief die de Prins zou hebben geschreven aan Adolf Hitler over zijn landvoogdijschap over Nederland, de zogeheten stadhoudersbrief;
  • de beschuldiging dat Bernhard de Slag om Arnhem zou hebben verraden.
Van der Voet zou voor geen van de vier beweringen bewijzen hebben gevonden, zijn onderzoek werd echter door vakhistorici weinig serieus genomen.
De brief is ook opmerkelijk omdat leden van het Koninklijk Huis in Nederland zelden reageren op aantijgingen vanuit de pers. Premier Balkenende
verleende toestemming voor publicatie van de brief. De Prins vond daarin dat de schrijvers J.G. Kikkert, Tomas Ross, Hans Galesloot en Philip
Dröge
te ver waren gegaan. De tweede, Tomas Ross, schreef een roman over het leven van Bernhard, volgens hem gebaseerd op een vijftiental bronnen.
De laatste tien jaar van zijn leven kampte Bernhard met een verslechterde gezondheid. Hij werd dikwijls in het Academisch ziekenhuis in Utrecht
opgenomen om geopereerd te worden. Sinds 1913 is de Prins meer dan vijftig keer onder het mes gegaan.In 1994 was zijn toestand kritiek na een
darmoperatie waarbij hij door complicaties en een schoklong in levensgevaar kwam; na een lang ziekbed herstelde hij en bleek in
staat het jaarlijkse Veteranendefilé af te nemen.

In 1999 werd de Prins opnieuw geopereerd, ditmaal aan zijn luchtpijp en in 2000 werd een kwaadaardige tumor verwijderd uit zijn borstkas. Op 17
november 2004 maakte de RVD bekend dat Bernhard aan longkanker leed. Het persbericht luidde als volgt: "Zijne Koninklijke Hoogheid Prins
Bernhard der Nederlanden is de afgelopen weken poliklinisch in het UMC-AZU behandeld wegens klachten van kortademigheid. De klachten werden
veroorzaakt door vocht in de borstholte. Het vocht is verwijderd, waardoor de klachten verminderden. Bij onderzoek van het vocht werden cellen
verkregen die kunnen wijzen op uitzaaiingen van een tumor. In 1994 is Prins Bernhard geopereerd aan een tumor van de darm en in 2000 aan een
borsttumor. De Prins beperkt zich in zijn activiteiten omdat hij een vermindering van krachten ervaart."
Op 29 november 2004 volgde een nieuwe mededeling van de RVD.


Het stoffelijk overschot van Prins Bernhard arriveert bij de Nieuwe Kerk in Delft


De toestand van Bernhard zou achteruitgaan. Naast de eerder vastgestelde tumor in de luchtwegen was nu ook een kwaadaardige tumor in de darmen
vastgesteld. Op woensdag 1 december 2004 kreeg de Prins op Paleis Soestdijk last van zijn aandoeningen. Bernhard werd overgebracht naar het
Academisch Ziekenhuis Utrecht (AMC). Daar besloot de Prins dat hij geen medische hulp wenste te hebben. 's Avonds om 18.50 uur overleed hij in het
AMC te Utrecht. Op zaterdag 11 december 2004 vond de uitvaartdienst van Bernhard plaats in de Nieuwe Kerk in Delft.
De uitvaart droeg een militair karakter.

Zijn kist werd op een affuit, het onderstel van een kanon, naar Delft gebracht. Op het moment dat de kist met het stoffelijk overschot van de Prins
"alsnog in militair tenue van Generaal-Vlieger" de kerk werd ingedragen voerden drie F-16's en een Spitfire een zogenaamde "flypast" uit in
de "Missing Man formatie". Na de plechtigheid werd Prins Bernhard bijgezet in de Grafkelder van de Oranjes in de Nieuwe Kerk te Delft. Bernhard
kreeg bij zijn huwelijk de persoonlijke titel Z.K.H. de Prins der Nederlanden. Net als bij de uitvaart van zijn schoonzoon Claus en echtgenote
Koningin Juliana, was hier sprake van een staatsbegrafenis.

Bij de baar van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard zijn drie draagkussens geplaatst. Op één draagkussen is de onderscheidingsvlag van de Prins
aangebracht. De onderscheidingsvlag van Prins Bernhard werd vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 18 juni 1937. De langwerpige vlag is in vier vakken
verdeeld door een over het midden geplaatst staand vierarmig oranje kruis. In het midden van het kruis staat het Koninklijk Wapen, aan de
rechterbovenzijde en de linkeronderzijde is de Nederlandse leeuw afgebeeld en aan de linkerbovenzijde en rechteronderzijde de roos uit het
wapen van het Huis Lippe.

Op het tweede kussen ligt het Commandeurskruis Militaire Willems-Orde, 15 juni 1946 Koningin Wilhelmina reikte de onderscheiding 20 juni 1946 aan
de Prins uit op de vliegbasis Soesterberg. Met deze onderscheiding worden mensen gehuldigd 'tot beloning van uitstekende daden van moed, beleid
en trouw (...) zo ter zee als te land, in welke betrekking ook en zonder onderscheid van stand of rang, Ons en het Vaderland dienen' (Wet 30 april 1815).
Op het laatste kussen ligt het Grootkruis met Keten in de Orde van het Britse Rijk van Groot-Brittanië; rechtsonder ligt Chief Commander in de
Orde van het Legioen van Verdienste van de Verenigde Staten van Amerika. Op de bovenste rij liggen zeven onderscheidingen, van links naar rechts:
Vliegerkruis; Oorlogs-Herinneringskruis met twee gespen; Verzetsherdenkingskruis; Bronzen Ster van de Verenigde Staten van Amerika; Oorlogskruis
1940 met palm (in brons) van België; Oorlogskruis 1939-1945 met palm (in brons) van Frankrijk; Oorlogskruis 1940-1945 van Griekenland. Op de
onderste rij liggen vier onderscheidingen, van links naar rechts: Defence Medal van Groot-Brittanië; France and Germany Star van Groot-Brittanië;
Oorlogskruis 1940-1945 van Luxemburg; Oorlogskruis 1939 van Tsjecho-Slowakije.


(l) Prins Bernhard persoonlijk Standaard, (m) Commandeur Militaire Willems Orde en (r) Het Tableau Onderscheidingen

Prins Bernhard werd in de grafkelder in Delft te ruste gelegd naast Koningin Juliana. De kist met het stoffelijk overschot van Koningin Juliana bevindt
zich boven die van haar grootouders Koning Willem III en Koningin Emma. Op 14 december 2004 publiceerde de Volkskrant een interview met de
Prins, gebaseerd op negen gesprekken die Bernhard vanaf 2001 had gevoerd met hoofdredacteur Pieter Broertjes en journalist Jan Tromp van de
Volkskrant, buiten medeweten van de regering, de Rijksvoorlichtings- dienst en zijn familieleden. In het interview onthulde Bernhard het bestaan van
zijn dochter Alicia. Verder gaf hij nogmaals zijn visie op de omvang van het vermogen van het Koninklijk Huis en verstrekte hij nadere
bijzonderheden over de Greet Hofmans-affaire alsmede over de bestemming van het Lockheedgeld.

Toen een dag later archiefstukken over de Greet Hofmans-affaire openbaar werden gemaakt, bleek dat de opvattingen van de Prins niet geheel met de
feiten overeenkwamen. Na de Tweede Wereld Oorlog vorderde Bernhard ook geld van de Duitse Overheid. Dat werd een moeilijke zaak. De Prins zou
eigenlijk recht hebben gehad op 87.000 mark van zijn Duitse familie, maar dat geld werd na de oorlog in beslag genomen. Bernhard claimde volgens de
beschuldigingen van Aalders 'na creatief rekenwerk' een miljoen bij Duitsland. Dat miljoen is volgens Aalders als het ware richting Bernhard gekomen
verstopt in de 275 miljoen aan 'goedmakingsgeld'. Nederlandse en Duitse politici, die niet op een conflict zaten te wachten, zouden hebben
meegewerkt en gezwegen, beweert Aalders, die zich beroept op Duitse en Nederlandse archieven. Volgens historicus Gerard Aalders zou Prins
Bernhard een miljoen Duitse Marken hebben ontvangen via het Wiedergutmachungsverdrag dat Duitsland en de Geallieerden hadden afgesloten.