OranjelogoDe Huizen van Oranje en NassauNassau
Friese Koningen Folcwada en Aldgillis
Vlag BelgieVlag NederlandGouden KroonVlag LuxemburgVlag Duitsland

De Friese Nassau's

De Dynastie van Nassau-Dietz

Nassau is een historische regio in het gebied van wat nu delen van de Bondslanden Hessen en Rijnland-Palts zijn in het westen van Duitsland.
Het gebied wordt in twee vrijwel gelijke delen verdeeld door de rivier de Lahn. In het zuiden bevindt zich het Taunusgebergte. De oudste herinnering
aan het Grafelijke geslacht van Nassau is een ruïne in Laurenburg. Daar bouwde een zekere Dudo rond 800 een burcht. Hij noemde zich Dudo von
Laurenburg. Rond 1120 bouwden Ruprecht en Arnold von Laurenburg, telgen uit het geslacht der Graven van Laurenburg, bij het dorp Nassau een
kasteel en noemden zich voortaan Graven van Nassau. De naam Nassau is afkomstig van het Duitse woord Nasse Aue, dat drassige weide betekent.

De zoon van Ruprecht, Walram, was de eerste Graaf van Nassau (ca. 1146 - * 1198). Graaf Hendrik 'de Rijke' van Nassau * rond 1180 - + ca 1250
was de zoon van Walram, bouwde het slot Dillenburg, en kreeg drie zonen, Walram, Jan en Otto. Jan werd Bisschop van Utrecht en Walram stond aan de
wieg van de Walramse Linie van het geslacht Nassau en Otto aan die van de Ottoonse Linie. Ook in Dietz stond een huis van de Nassau's, evenals in latere
jaren er ook prachtige woongelegenheden kwamen in Siegen, Hadamar, Idstein, Weilburg, Ottweiler, Saarbrucken, Usingen en Merenberg.

Het Rijk van Hendrik alias 'de Rijke van Nassau

Elk van deze plaatsnamen vertegenwoordigden later een aparte tak van het Geslacht van Nassau. Zoals Nassau-Dietz, Nassau-Dillenburg, Nassau-Siegen, Nassau-Beilstein en Nassau-Weilburg. Hendrik kreeg drie zonen, Walram, Jan en Otto van Nassau. De middelste zoon Jan werd Bisschop van Utrecht en de beide anderen regeerden als Walram II en Otto I vanaf 1247 samen, maar kregen al spoedig een fors verschil van mening.

Dat ontaardde - in die tijd heel gebruikelijk - in zware gevechten gepaard gaande met wederzijdse slachtpartijen alsof men een slachthuis moest bedienen. Tenslotte zagen zij het onzinnige van deze vechtparij in en verdeelden het Graafschap Nassau in 1255 in het gebied links van de Lahn (residentie: Wiesbaden) en het gebied rechts van de Lahn (residentie: Siegen). Zo ontstonden de Walramse en Ottoonse linie van het Huis Nassau. Waarbij de Walramse tak uiteindelijke eindigt bij de Prinselijke Familie van het Groothertogdom Luxemburg. komt de Ottoonse lijn uiteindelijk terecht bij onze Koninklijke familie. De man die daarvoor zorgde was Hendrik 'de Rijke' van Nassau en die leefde rond 1180 tot 1250. Deze Hendrik was eigenzinnig en volhardend.

Hij bouwde een slot. De burcht kreeg de naam Dillenburg, vernoemd naar het plaatsje van die naam dat aan de Duitse rivier de Lahn ligt, middenin het voormalige Graafschap en later verheven tot Hertogdom, Nassau. De rivier stroomt de Rijn binnen, iets ten zuiden van de stad Koblenz. Ongeveer 15 kilometer stroomopwaarts in de richting van het oosten, ligt het plaatsje Nassau. Dit verhaal spitst zich toe op het verloop van de de Ottoonse Linie van het Huis van Nassau. Vanuit deze lijn ontstond de Dynastie van Nassau-Dietz. Zoals u reeds hebt kunnen lezen in de vele bladzijden boordevol informatie over de Geslachten van Oranje en Nassau, is het Huis van Nassau-Dietz slechts een klein onderdeel van van het geheel. Weliswaar niet groot van omvang maar toch wel zo belangrijk dat een vrouwelijk lid, Albertina Agnes, van dat Geslacht wel de stam-moeder was van het huidige Huis van Oranje-Nassau.

De Koningin is een rechtstreekse afstammeling van deze Prinses van Oranje. Diez (in het Nederlands ook wel Dietz) is een stad in het
district Rhein-Lahn-Kreis in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts en telt 10.910 inwoners. Diez ligt aan de rivier de Lahn. De meest nabijgelegen
grote stad is Limburg an der Lahn. De stad werd voor het eerst genoemd in een oorkonde van Karel de Grote uit het jaar 790. Tijdens de middeleeuwen,
in 1150, ontstond het Graafschap Diez, waarvan het plaatsje Diez de hoofdstad werd. In 1329 verkreeg Diez stadsrechten. Twee honderd en dertig
jaren later is 1559 een heel belangrijk jaar. Toen begon het verhaal over het ontstaan van het Graafschap Nassau-Dietz. Jan VI, Graaf van Nassau
erfde in 1559 als oudste broer na Willem van Oranje de Nassause goederen van het geslacht Nassau in Duitsland.

Zijn broer Willem I van Oranje verkreeg een nalatenschap van zijn neef René van Châlon, namelijk het Prinsdom Orange in Frankrijk en de
bezittingen in de Nederlanden. Jan was evenals zijn andere broers Luthers opgevoed, maar ging in 1572 uit overtuiging over tot het Calvinisme.
In 1577 was hij in de Nederlanden. Jan VI was korte tijd Stadhouder van Gelre. In 1579 vervulde hij een belangrijke rol bij de tot oprichten van de
Unie van Utrecht. In 1580 echter verliet Jan VI de Nederlanden omdat hij zich niet kon vinden in de Fransgezinde politiek van zijn broer Willem.
Hij keerde terug naar de Dillenburg. Jan (of Johan) VI 'de Oude' van Nassau (Wiesbaden * 22-11-1535 - Dillenburg, + 08-10-1606) was de
tweede zoon van Willem de Rijke en Juliana van Stolberg.

Jan VI, Graaf van Nassau trouwde driemaal:

1. Elisabeth van Leuchtenberg (* 1537 - + 1579), uit dit huwelijk (Dillenburg, 16-06-1559) kwamen de volgende kinderen:

George (* 1562 - + 1623)
Elisabeth (* 1564 - + 1611), in 1583 geh m. Willem Lodewijk (* 1560 - + 1620), Stadhouder van Friesland
(* 1584 - + 1620),
trouwde met Anna van Nassau (* 1562 - + 1588)
Jan VII (* 1561 - + 1623)
uwd met Filips IV van Nassau-Weilburg en in 1603 met Wolfgang Ernst I van Isenburg-Birstein
Juliana (* 1565 - + 1606)
Filips (* 1566 - + 1595)
Maria (* 1568 - + 1625), gehuwd met Johan Lodewijk I van Nassau-Wiesbaden-Idstein
Anna Sibylla (* 1569 - + 1576), jong gestorven
Mathilde (* 1570 - + 1625), getrouwd met Willem V, Graaf van Mansfeld-Arnstein
Albert (* 1572, datzelfde jaar overleden)
Ernst Casimir (* 1573 - + 1632), Graaf van Nassau-Dietz, Stadhouder van Friesland (1620-1632),
trouwde in 1597 met Sophia Hedwig van Brunswijk-Wolfenbüttel (* 1583 - + 1642)
Lodewijk Gunther (* 1575 - + 1604)
doodgeboren zoon (*/+ 1579)

2. Cunigonda Jacoba van de Palts (* 1556 - + 1586), uit dit huwelijk (Dillenburg, 13-09-1580) werden de volgende kinderen geboren:

doodgeboren zoon (*/+ 1581)
Maria Amalia (* 1582 - + 1635)
Cunegonda (* 1583 - + 1584)
doodgeboren zoon (*/+ 1585)

3. Johannetta van Sayn-Wittgenstein (* 1561 - + 1622), uit dit huwelijk (Berleburg, 14-06-1586) kwamen de navolgende kinderen:

George Lodewijk (* 1588, leefde 4 dagen)
Johan Lodewijk (* 1590 - + 1653)
Johanetta Elisabeth (* 1593 - + 1654)
Anna (* 1594 - + 1654)
Magdalena (* 1595 - + 1633)
Anna Amalia (* 1599 - + 1667)
Juliana (* 1602, datzelfde jaar overleden)

Jan (VI) van Nassau kan worden gezien als de stamvader van het thans in Nederland regerende Vorstenhuis. De afstamming verloopt via zijn zonen
Willem Lodewijk en Ernst Casimir. Van de vijf zonen van Juliana van Stolberg en Willem de Rijke, is hij de enige zoon die een natuurlijke dood is
gestorven. Hij heeft verschillende belangrijke functies vervuld. Hij miste echter wel de takt en de diplomatieke gaven van zijn broers Willem en Lodewijk.
Na zijn overlijden werd, krachtens zijn testament, Nassau verdeeld over zijn vijf dan nog levende zonen. Nassau viel dan uiteen in de Graafschappen
Nassau-Dillenburg (Willem Lodewijk), Nassau-Siegen (Jan VII), Nassau-Beilstein (George), Nassau-Dietz (Ernst-Casimir)
en Nassau-Hadamar (Johan Lodewijk).


v.l.n.r. Jan VI 'de Oude', Zoon Willem Lodewijk van Nassau, Zoon Jan VII van Nassau en Zoon George van Nassau

• Nassau-Dillenburg onder Willem Lodewijk (uitgestorven in 1620) Nassau-Siegen onder Jan VII (uitgestorven in 1743)
• Nassau-Beilstein onder Georg (na 1620 te Dillenburg, uitgestorven in 1739)
• Nassau-Dietz onder Ernst Casimir (na 1702 Oranje-Nassau, uitgestorven in 1890/1962)
• Nassau-Hadamar onder Johan Lodewijk (uitgestorven in 1711)



(l)Zoon Ernst-Casimir van Nassau, Wapen van Dietz en (r) Zoon Johan Lodewijk van Nassau

Ernst Casimir, Graaf van Nassau
verkreeg aldus het Graafschap Nassau-Diez (Nederlands: Dietz) en werd daarmee de stichter van het Huis van
Nassau-Dietz.
Dit Geslacht regeerde tientallen jaren met succes over Friesland en bracht de meeste Friese Stadhouders voort. Zijn broer Willem
Lodewijk van Nassau-Dillenburg was
de tweede en de bij de Friezen de meest geliefde en bekendste Stadhouder van het Gewest Friesland.
Immers Prins Willem I 'de Zwijger' van Oranje was hem voorgegaan. Na de dood van Willem Lodewijk ('us Heit') in 1620, werd deze opgevolgd
door broer Ernst Casimir. De geschiedenis van de Friese Stadhouder Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg en zijn vrouw Prinses Anna van Oranje is
in deze serie reeds benoemd. Formeel bezien maakten zij geen deel uit van het ontstaan van het Geslacht van Nassau-Dietz. Ernst Casimir was dus
feitelijk de derde Stadhouder van Friesland en de eerste uit het Huis van Nassau-Dietz.

Ernst Casimir (* Dillenburg, 22-12-1573 – + Roermond, 02-06-1632), Graaf van Nassau-Dietz (1606 - 1632), Stadhouder van Friesland (1620 - 1632),
van Groningen en Drenthe (1625 - 1632), was een zoon van Jan VI van Nassau-Dillenburg en Elisabeth van Leuchtenberg. Toen na het overlijden van
zijn vader diens Graafschap Nassau werd verdeeld onder zijn vijf in leven zijnde zoons, volgde Ernst Casimir hem op als Graaf van Nassau-Dietz.

Ernst Casimir was vooral bekend als een uitstekend militair leider tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Zo diende hij onder Maurits bij het beleg van de steden
Steenwijk en Oldenzaal, en onder Frederik Hendrik tijdens het Beleg van Grol en het Beleg van 's-Hertogenbosch. Als Stadhouder in Groningen stichtte
hij in 1628 de vesting Nieuweschans. Door de bevolking van Friesland werd hij hoog gewaardeerd, hoewel hij weinig in Friesland aanwezig was. Als dank
voor zijn militaire successen kreeg hij van de bevolking van Friesland de toezegging dat zijn zoon hem bij zijn dood kon opvolgen.

In juni 1632 overleed Ernst Casimir toen hij bij de inspectie van de loopgraven bij het Beleg van Roermond door een kogel werd getroffen. Hij werd als
Graaf van Nassau-Dietz opgevolgd door zijn zoon Hendrik Casimir I, die door de Staten van Friesland, Groningen en Drenthe ook tot
Stadhouder werd benoemd. Ernst Casimir huwde in 1607 met Sophia Hedwig van Brunswijk-Wolfenbüttel, dochter van
Graaf Hendrik Julius van Brunswijk-Lüneburg.

Uit dit huwelijk werden negen kinderen geboren:

  1. doodgeboren dochter (1608)
  2. doodgeboren zoon (1609)
  3. naamloze zoon (*/+ 1610)
  4. Hendrik Casimir I van Nassau-Dietz (* 1612 - + 1640)
  5. Willem Frederik van Nassau-Dietz (* 1613 - + 1664), gehuwd met Albertine Agnes van Oranje-Nassau.
  6. Elisabeth (* Leeuwarden, 25-07-1614 - + Leeuwarden, 18-09-1614)
  7. Johan Ernst (* Arnhem, 29-03-1617 - * ?-05-1617)
  8. Maurits (Groningen, * 21-02-1619 - + Groningen, 18-09-1628)
  9. Elisabeth Friso (* Leeuwarden, 25-11-1620 - + Groningen, 20-09-1628)


Hendrik-Casimir I van Nassau-Dietz

Hendrik Casimir I (+ Arnhem, 21-01-1612 – + Hulst, 13-07-1640) was Graaf van Nassau-Dietz en Stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe vanaf 1632 tot zijn dood. Hij was opvolger van zijn vader Ernst Casimir, die sneuvelde bij de Slag bij Roermond. Tijdens het bewind van Hendrik Casimir ging het Friesland economisch voor de wind. Hij kreeg een beperkte instructie, was meer een bestuurlijk ambtenaar en daardoor had de Stadhouder niet veel in te brengen. Het wantrouwen tegen de Stadhouder en de lokale machthebbers groeide naar aanleiding van de verdeling van de oorlogslasten, die onevenredig zwaar drukten op de bevolking van Noordelijke Gewesten. In 1635 hadden negen Friese steden de door de Stadhouder benoemde vroedschapsleden naar huis gestuurd. Zij wensten evenals Franeker en Leeuwarden een vrije raadsverkiezing. De broer van de 17e historicus Lieuwe van Aitzema speelde een belangrijke rol als burgemeester van Dokkum.

Op 5 november 1637 draaide men de zaken terug, nadat de Stadhouder had gedreigd Harlingen te bezetten. Enkel door militair ingrijpen en een interventie van de Raad van State in 1637 lukte het om in Friesland de gemoederen te bedaren. Vervolgens werden voor iedere stad regeringsreglementen opgesteld, die in werking bleven tot 1748. Hendrik Casimir was een kundig militair maar trad nooit op de voorgrond. De Stadhouder mocht van de Friese Staten niet op eigen gezag troepen verplaatsen. Hendrik Casimir was betrokken bij de verovering van Breda in 1638, samen met Prins-Stadhouder Frederik Hendrik. Op 12 juli 1640 raakte hij gewond in Sint Jansteen bij de Slag bij Hulst. De volgende dag stierf hij aan zijn verwonding. De Stadhouder ligt begraven in de Jacobijner Kerk te Leeuwarden. Hendrik Casimir was ongehuwd en had geen kinderen. Hij werd in Friesland opgevolgd door zijn broer Willem Frederik, Graaf van Nassau-Dietz.

Willem Frederik (Arnhem, 7 augustus 1613 – Leeuwarden, 31 oktober 1664), Graaf van Nassau-Dietz (1640 - 1654}, Vorst van Nassau-Dietz (1654 - 1664), stadhouder van Friesland (1640 - 1664), stadhouder van Groningen en Drenthe (1650 - 1664), was de zoon van Ernst Casimir van Nassau-Dietz en Sophia Hedwig van Brunswijk-Wolfenbüttel. Willem Frederik studeerde in Leiden en Groningen en nam daarna dienst in het leger van Frederik Hendrik van Oranje. In 1640 nam hij deel aan de strijd om Hulst, waarbij zijn oudere broer Hendrik Casimir sneuvelde. Vervolgens ontstond een conflict met Frederik Hendrik van Oranje wie Hendrik Casimir zou opvolgen als stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe. Uiteindelijk werd Willem Frederik stadhouder van Friesland en Frederik Hendrik van Groningen en Drenthe. Tegen die tijd was de Tachtigjarige Oorlog bijna ten einde. In 1650, na het overlijden van Frederik Hendrik en van zijn zoon en opvolger Willem II, werd hij alsnog stadhouder van Groningen en Drenthe.

In 1664 werd hij door de Staten-Generaal aan het hoofd van een klein expeditieleger gesteld dat de Munsterse bisschop Bernhard von Galen moest verjagen. Dat lukte, maar korte tijd daarna stierf hij na een ongeluk met een pistool. Willem Frederik is ook bekend geworden vanwege zijn dagboeken die later teruggevonden zijn. Hierin schreef hij openhartig over emotionele onderwerpen als ziekte, lust, drankzucht, berouw en schuld. De voorletters van Willem Frederik en zijn echtgenote Albertine Agnes zijn in de Prinsentuin in Groningen te zien in de vorm van geknipte heggetjes. In 1655 werd de Graaf in de Vorstenstand verheven en mocht zich tooien met de titel Vorst van Nassau-Dietz. Hij werd na zijn dood in 1664 opgevolgd door zijn zoon Hendrik Casimir II. Willem Frederik trouwde in 1652 met Albertine Agnes van Oranje-Nassau (1634-1696), de vijfde dochter van Frederik Hendrik.


Willem Frederik van Nassau-Dietz

Uit dit huwelijk werden de volgende kinderen geboren:

* Amalia (1655-1695), gehuwd met Johan Willem van Saksen-Eisenach (1666-1729)
* Hendrik Casimir II (1657-1696), gehuwd met Henriëtte Amalia van Anhalt-Dessau (1666-1726)
* Sofia Hedwig (1664-1667)

Willem Frederik, Vorst van Nassau-Dietz werd de stamvader van het huidige Koninklijk Huis in Nederland.


Hendrik Casimir II van Nassau-Dietz

Hendrik Casimir II (* Den Haag, 18-01-1657 – + Leeuwarden, 25-03-1696), Vorst van Nassau-Dietz en Stadhouder van Friesland en Groningen (1664 - 1696), was de zoon van Willem Frederik van Nassau-Dietz en Albertine Agnes van Nassau. Hendrik Casimir volgde, aanvankelijk onder voogdijschap van zijn moeder, zijn vader na diens overlijden in 1664 op als Stadhouder van Friesland en Groningen.

In 1675 verklaarden de Staten van Friesland het stadhouderschap erfelijk voor het huis Nassau-Dietz. Hendrik Casimir II werd daardoor de eerste Friese erfstadhouder.

Zoals zijn voorgangers werd hij officier in het leger van de Republiek, maar met zijn neef en opperbevelhebber Willem III van Oranje kon hij slecht overweg. In 1674 liep hij zelfs over naar de Fransen. Hij keerde terug in 1688 tijdens de Negenjarige Oorlog, en in 1689 werd hij tot derde veldmaarschalk in het Staatse leger benoemd.

Toen hij na de dood van Waldeck, de eerste veldmaarschalk, in 1692 niet diens positie kreeg toebedeeld, voelde hij zich gepasseerd en nam in 1693 opnieuw ontslag. Hij werd als Stadhouder opgevolgd door zijn zoon Johan Willem Friso.

Hendrik Casimir trouwde in 1683 met zijn nicht Henriëtte Amalia van Anhalt-Dessau (* 1666 - + 1726).

Uit dit huwelijk werden negen kinderen geboren:

Willem George Friso (* 1685 - + 1686)
Henriëtte Albertine (* 1686 - +1754)
Johan Willem Friso (* 1687 - + 1711), gehuwd met Maria Louise van Hessen-Kassel (1688-1765)
Maria Amalia (* 1689 - + 1771)
Sophia Hedwig (* 1690 - + 1734), gehuwd met hertog Karel Leopold van Mecklenburg-Schwerin (* 1678 - + 1747)
Isabella Charlotte (* 1692 - + 1757), gehuwd met Christiaan van Nassau-Dillenburg (* 1688 - + 1739)
Johanna Agnes (* 1693 - + 1765)
Louise Leopoldina (* 1695 - + 1758)
Henriëtte Casimira (* 1696 - + 1738)

Johan Willem Friso (* Dessau, 04-08-1687 — + Strijensas, 14-07-1711), Vorst van Nassau-Dietz (1696-1711), Prins van Oranje (1702-1711), Stadhouder van Friesland (1707-1711) en Groningen (1708-1711), was de zoon van Hendrik Casimir II van Nassau-Dietz en Henriëtte Amalia van Anhalt-Dessau. Bij het overlijden van zijn vader in 1696 werd hij Vorst van Nassau-Dietz en tevens tot Stadhouder benoemd van de gewesten Friesland en Groningen. Zijn moeder trad op als Regentes tot 1707. Toen nam Johan Willem Friso de functie van Stadhouder van Friesland daadwerkelijk op zich en in 1708, toen hij meerderjarig werd tevens het Stadhouderschap van het Gewest Groningen.

Als enige erfgenaam van zijn achterneef Prins-Stadhouder Willem III, die in 1702 overleed, erfde hij de titel Prins van Oranje. Echter, direct na het openvallen van het testament, maakten ook de Fransman Frans Lodewijk van Conti en Willems neef Frederik I van Pruisen aanspraak op de titel Prins van Oranje. In 1711 werd besloten de erfeniskwestie in Den Haag te bespreken. Johan Willem Friso nam als Generaal deel aan de Spaanse Successieoorlog. Bij de slag bij Malplaquet op 11 september 1709, ontstond een misverstand tussen hem en de Britse commandant, Marlborough.

Hierdoor verloren vele duizenden Nederlanders het leven in deze bloedige veldslag. De slag werd toch beslist in het voordeel van de geallieerden. Op weg naar Den Haag i.v.m. een bespreking met zijn rivaal voor de titel, Frederik van Pruisen, over de erfenis verdronk de 23-jarige Johan Willem Friso op 14-07-1711 bij de oversteek van Moerdijk naar Strijensas over het Hollandsch Diep.

Johan Willem Friso
Vorst van Nassau-Dietz

Kort daarna, op 1 september 1711, werd zijn zoon Willem IV van Oranje-Nassau geboren. Op 25-02-1712, ruim 7 maanden na zijn dood, werd
Johan Willem Friso begraven in de Grote of Jacobijnerkerk te Leeuwarden. Johan Willem Friso trouwde op 26-04-1709 te Kassel met
Maria Louise van Hessen-Kassel (* 1688 - + 1765). Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren:

    Anna Charlotte Amalia (* 1710 - + 1777), gehuwd met Frederik van Baden-Durlach (* 1703 - + 1732)
    Willem IV Karel Hendrik Friso (* 1711 - + 1751), gehuwd met Anna van Hannover (* 1709 - + 1759)


Willem Karel Hendrik Friso
Vorst van Nassau-Dietz

Willem Karel Hendrik Friso (* Leeuwarden, 01-09-1711 – + Den Haag in Paleis Huis ten Bosch, 22-10-1751), was Vorst van Nassau-Dietz en onder de naam Willem IV, Prins van Oranje. Hij werd in 1729 in Gelderland, Drenthe en Groningen en in 1731 in Friesland tot Stadhouder benoemd. De Vorst was de eerste erfstadhouder van de Republiek der Verenigde Provinciën. Hij was voornaam, vredelievend en minzaam in zijn optreden, maar had te kampen met een zwakke gezondheid en een vergroeiing van zijn rug wat zijn politiek-bestuurlijke optreden meer en meer parten zou gaan spelen.

Willem Karel Hendrik Friso werd geboren in Leeuwarden als zoon van Johan Willem Friso, Vorst van Nassau-Dietz en Maria Louise van Hessen-Kassel. De val van een paard, in 1717 in de tuin van zomerresidentie Paleis Soestdijk, deed even voor zijn leven vrezen. Willem IV kreeg meer dan de gebruikelijke opvoeding van adellijke kinderen (krijgskunde): hij studeerde aan de Universiteit van Franeker en aan de Universiteit Utrecht. Willem IV sprak diverse talen (ook Fries, omdat hij deels in Friesland werd opgevoed) en was geïnteresseerd in geschiedenis, ook in de fouten van zijn voorgeslacht zoals hij zijn hoogleraar meldde. Reeds in 1721 was er sprake van een huwelijk met Anna, Prinses van Hannover, maar eerst
op 21-10-1733 ging hij voor het Gerecht van Leeuwarden in ondertrouw.

Het huwelijk dat gepland was in november 1733 werd uitgesteld, omdat de bemoeienissen van zijn toekomstige schoonvader George II met de Republiek niet op prijs werden gesteld. Vorst Willem werd, ook vanwege alle ophef, ziek en vertrok naar het kuuroord Bath. Eerst enkele maanden later was hij voldoende hersteld om in het huwelijk te treden. Händel, die Anna en haar jongere zussen klavecimbel- en muziekles had gegeven, en haar als zijn beste leerling beschouwde, componeerde ter gelegenheid van het huwelijk zijn Serenata Il Parnasso in Festa (HWV 73), waarvoor delen uit Athalia (HWV 52) gebruikt zijn.

Op 25 maart 1734 trouwde het paar in de Franse kapel van het Paleis van St. James. Händel componeerde hiervoor, op een tekst van Prinses Anna (naar twee psalmen), het anthem This is the day the Lord has made (HWV 262). Willem, Vorst van Nassau-Dietz, Prins van Oranje en Graaf van Nassau
-Dietz
, werd in deze periode door de universiteit van Oxford met het ere-doctoraat begiftigd. In deze tijd trad hij toe tot de vrijmetselarij. Bij zijn
terugkeer in de Republiek ontstonden ook loges in Den Haag en Leeuwarden. Zo had hij een eigen hofloge "Antiqua Virtute et Fide" in
Leeuwarden. Zijn kok Vincent la Chapelle was daarbij betrokken.

Het paar werd op 08-05-1734 met zo weinig animo ontvangen in Amsterdam, door burgemeester Lieve Geelvinck, dat het na een half uur al besloot
om door te reizen naar Leeuwarden. Door erfenis kwam hij achtereenvolgens in het bezit van de Graafschappen Dillenburg (1739), Siegen (1742) en Hadamar (1743). Na 1743 werden alle gebieden weer herenigd. De Vorsten gebruikten dan de naam Oranje-Nassau om zich te onderscheiden van de Walramse linie. De Keizerlijke Administratie gebruikt Nassau-Dillenburg als naam, bijvoorbeeld in de Reichsdeputationshauptschluss van 1803.

Uit het huwelijk van Prins Willem IV en Prinses Anne werden de volgende kinderen geboren:

* een dochter (1736),
* naamloos kind (1739),
* Wilhelmina Carolina (* 1743 - + 1787), gehuwd met Karel Christiaan van Nassau-Weilburg,
* Anna (1746),

* Prins Willem Batavus (* 1748 - + 1806), de latere Erfstadhouder Willem V, gehuwd met Wilhelmina van Pruisen (* 1751 - + 1820).

Willem V Batavus (* 's-Gravenhage, 08-03-1748 - + Brunswijk, 09-04-1806), , Vorst van Nassau-Dietz en Prins van Oranje, was erfstadhouder van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Willem Batavus werd geboren in 's-Gravenhage als zoon van Prins Willem IV en Prinses Anna van Hannover. Hij werd opgevoed door zijn moeder en vanaf 1759 door Lodewijk Ernst van Brunswijk-Lüneburg-Bevern. In 1763 werd hij ernstig ziek, men vreesde voor zijn positie als opvolger. In 1766, meerderjarig geworden, trad hij evenwel aan als Stadhouder. Op 04-10-1767 huwde hij in Berlijn met Wilhelmina van Pruisen, een nicht van Frederik de Grote, die in 1768 de Stadhouderlijke familie bezocht op het Loo.

Zijn bestuur was niet daverend te noemen. Willem was zeer onstandvastig en kon maar geen beslissing nemen. Toch was de Prins redelijk intelligent te noemen. Bovendien was hij charmant, vriendelijk en welbespraakt. In 1781 - de Republiek was in oorlog met de Engelsen, vanwege wapensmokkel naar de opstandige Verenigde Staten - kwam er steeds meer kritiek op het functioneren van Willem V en op de hertog van Brunswijk. Het pamflet “Aan het Volk van Nederland” waarin een aantal zaken op een rijtje waren gezet vond gretig aftrek.

Willem V werd beschuldigd van heulen met de vijand: zijn oom George III, de koning van Engeland. In Overijssel had baron Joan Derk van der Capellen tot den Pol, de schrijver van het pamflet, zich uitgesproken voor steun aan de opstandige Verenigde Staten en voor versterking van de verwaarloosde vloot. Bij aankomst van de Franse troepen onder Pichegru vluchtte Willem V op 18 januari 1795 naar Engeland. In Scheveningen lag de pink 'Johanna Hoogenraaddë' van rederij Michel de Heijer klaar om hem mee te nemen.

Prins Willem V van Oranje

Over de Scheveningse weg reden achttien vrachtwagens met porselein, schilderijen, zilver, kunstvoorwerpen en kisten met goud naar het strand,
om de vissersschepen te bevoorraden die de stadhouder zouden begeleiden. Op zondag 18 januari 1795 voeren de schepen naar Engeland. De
gevluchte stadhouder nam eerst voor enkele weken zijn intrek in Kew Palace (ook wel Dutch House genoemd). Vrijwel zijn eerste actie was de
uitvaardiging van de brieven van Kew (7 februari 1795). Volgens sommigen gebeurde dat op advies van de Britse premier William Pitt. Alle Hollandse
koloniale bezittingen werden nu onder Britse bescherming gesteld. Hij beval de bestuurders zich over te geven aan de Britten.
Dit leidde tot grote woede uiteraard van zijn tegenstanders in de Bataafse Republiek. Nadat Willem V deze brieven had uitgevaardigd namen de
Fransen de privébezittingen van Willem in beslag. Zijn collectie dieren, waaronder de twee olifanten Hans en Parkie en
enkele giraffen werd afgevoerd naar Frankrijk.

Willem V verhuisde naar Hampton Court Palace. Toen hij samen met zijn zoon, de erfprins, in augustus 1799 een proclamatie uitvaardigde waarin de
Nederlanders werden opgewekt steun te geven aan de Engels-Russische landing leidde dit tot grote verontwaardiging in de Bataafse Republiek.
De militaire inval mislukte. In 1801 trok Willem Batavus zich terug op zijn Duitse buitenplaats Oranienstein bij Diez. Dit paleis was al ruim een eeuw in
bezit van de Oranjes. In december van dat jaar schreef Willem V de brieven van Oranienstein, waarin hij de Bataafse Republiek als wettig erkende.

Hiermee deed hij afstand van al zijn rechten als erfstadhouder en voldeed de stadhouder aan de door Napoleon Bonaparte gestelde voorwaarden voor
het verkrijgen van een schadeloosstelling. De erfprins Willem Frederik aanvaardde de soevereiniteit over Fulda en Corvey als schadeloosstelling voor in
1795 toegepaste verbeurdverklaringen, de Kaapprovincie en Ceylon. Willem V deed dat pas na lange aarzeling. Tijdens zijn jaarlijkse bezoek aan zijn
dochter Louise overleed Willem V in Brunswijk en werd daar begraven. Het stoffelijk overschot is in 1958 bijgezet in de Nieuwe Kerk Delft).

Uit het huwelijk van Willem V en Wilhelmina werden vijf kinderen geboren:

  • Naamloze zoon (* 23-03-1769 - + 24-03-1769)
  • Frederica Louisa Wilhelmina (* 28-11-1770 – + 15-10-1819), gehuwd met Karel van Brunswijk-Wolfenbüttel, zoon van Karel Willem Ferdinand van Brunswijk
  • Naamloze zoon (*/+ 6 augustus 1771)
  • Willem Frederik (* 24-08-1772 – + 12-12-1843), Koning Willem I der Nederlanden
  • Willem George Frederik (* 15-02-1774 - + 06-01-1799)

Rond 1750 zou Willem V bij een onbekende vrouw ene Willem Hendrik van Nieuwkerke (overleden in 1820) hebben verwekt.