OranjelogoDe Huizen van Oranje en NassauNassau
Vorstelijk Verzamelen
Vlag BelgieVlag NederlandGouden KroonVlag LuxemburgVlag Duitsland

Koninklijke Verzamelingen

Portret Miniaturen

De eerste vermeldingen van portretminiaturen in Oranjebezit vinden we in een boedelinventaris, opgemaakt na de dood van Koningin Mary (1662-1695),
vrouw van de Koning-stadhouder Willem III (1650-1702).Hierin worden ‘twee kisten met miniaturen’ genoemd. De 118 miniaturen, merendeels van
Engelse makelij, kregen na het overlijden van Koningin Mary een plaats in de privé-vertrekken van Marie Louise van Hessen-Kassel (1688-1765),
de vrouw van erfgenaam Johan Willem Friso (1687-1711), stadhouder van Friesland en Groningen. Door vererving kwam Prins Willem V (1748-1806)
in bezit van de miniaturenverzameling van Koningin Mary, bovendien erfde hij nog 35 miniaturen van zijn moeder, Anna van Hannover (1709-1759).

Zijn collectie behelsde dus ongeveer 150 stuks. Hoewel Prins Willem V geen actief verzamelaar van portretminiaturen was, heeft hij wel plezier beleefd
aan zijn verzameling. Hij gaf de mooiste stukken uit de collectie een plaats aan de wanden van zijn privé-vertrekken in het Stadhouderlijk Kwartier, het
huidige Binnenhof in Den Haag.Op 18 januari 1795 vertrok Prins Willem V met zijn gezin naar Engeland, gedwongen door de op handen zijnde inval van
het Franse leger. Ook de miniaturen werden op deze vlucht in kistjes meegenomen. Een van deze kistjes bevindt zich nog in de miniatuurkamer op het
Koninklijk Huisarchief. Nadat Koning Willem I (1772-1843) terugkeerde in de Nederlanden, eerst als soeverein Vorst, later als Koning,
beschouwde hij de verzamelingen van zijn vader als rijkseigendom.
De verzameling in de tijd van Koningin Emma in het paleis aan de Kneuterdijk


Alle in de Bataafse republiek achtergelaten voorwerpen waren namelijk in beslag genomen en vervallen aan de Staat. Hoewel de gemeente Den Haag,
die zorg droeg voor de verzamelingen, van mening was dat de Koning er recht op had deze bezittingen terug te krijgen, is deze daar nooit op ingegaan.
De miniaturenverzameling van Willem V werd uiteindelijk ondergebracht in het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden. Dit kabinet werd met het
Koninklijk Kabinet van Schilderijen gehuisvest in het Mauritshuis in Den Haag. Zelfs de uit Duitsland meegenomen miniaturen droeg Koning Willem I
over aan deze instelling. In 1885 werd de miniatuurverzameling hier uitgelicht en overgebracht naarhet nieuwe Rijksmuseum
in Amsterdam, waar zij nog steeds verblijft.

De mooiste stukken werden echter in 1951 weer in bruikleen gegeven aan het Mauritshuis in Den Haag. Koning Willem I had zelf nog slechts enkele
stukken in zijn bezit. Dit veranderde echter toen zijn zuster, Prinses Louise (1770-1819), kwam te overlijden. In haar testament vermaakte zij haar
miniaturen, 140 in totaal, aan haar broer. Met dit legaat werd de basis gelegd van de huidige, hier gepresenteerde, miniaturenverzameling van het Huis
Oranje-Nassau. Koning Willem I en Koning Willem II (1792-1849) hebben beiden weinig belangstelling getoond voor het verzamelen van miniaturen.
De collectie werd pas weer substantieel uitgebreid door Sophie van Württemberg (1818-1877), de eerste vrouw van de Koning Willem III (1817-1890),
en haar zoon Prins Alexander (1851-1884). Zij verzamelden beiden actief en deden regelmatig aankopen op veilingen en bij de kunsthandel.

Toen Sophie na haar huwelijk in het Paleis op het Plein in Den Haag kwam wonen, bracht zij reeds een aantal portretminiaturen mee van door haar
geliefde personen. Later erfde zij miniaturen van haar vader, merendeels portretten van leden van het Huis Württemberg. Koningin Sophie bewaarde
de miniatuurverzameling altijd in haar privé-vertrekken. Een aantal van de wandvitrines die zich momenteel in de miniatuurkamer op het
Koninklijk Huisarchief bevinden, komt uit haar bezit. In deze vitrines bewaarde zij de portretminiaturen, zoals ook haar zoon Alexander dat deed.
Prins Alexander liet na de dood van zijn moeder de verzameling overbrengen naar zijn huis op de Kneuterdijk.

Alexander liet in deze jaren zijn verzameling catalogiseren door Victor de Stuers (1843-1916). Dit ter voorbereiding op twee tentoonstellingen, waarbij
vooral de tweede van belang is. De Prins wilde op een expositie van oude kunst in Brussel in 1882 maar liefst 445 portretminiaturen laten zien. Het
boekje dat De Stuers hiervoor opstelde heeft als uitgangspunt gediend voor alle latere beschrijvingen van de verzameling. Na de dood van
Prins Alexander in 1884 werd de miniaturenverzameling op last van Koningin Emma overgebracht naar het paleis aan de Kneuterdijk, waar nu
de Raad van State is gevestigd. Hier liet zij een miniatuurkamer inrichten. In 1900 werden de miniaturen hiervandaan overgebracht naar
Het Koninklijk Huisarchief, waar ze nog worden bewaard.
Links: In 1825 liet Koningin Anna Paulowna door Pasquier de Jonge een miniatuurportret op ivoor maken van haar drie zoontjes, Willem III
(1817-1890), Alexander (1818-1848) en Hendrik (1820-1879) als cadeau voor haar moeder Keizerin Maria Feodorovna (1759-1828) van Rusland.
Hierop droegen de Prinsjes de Russische uniformpjes, die ze van hun grootmoeder hadden gekregen. Een tweede versie van de miniatuur maakte
Pasquier voor Anna Paulowna zelf. De Koningin stond bekend om haar smaak kunst betreffende. Vele stukken uit haar verzamelingen zijn bewaard
gebleven voor het nageslacht.

Midden: De Russische Grootvorstin Anna Paulowna, echtgenote van Koning Willem II, kwam uit een groot gezin. Zij bezat een uitgebreide
verzameling portretten en miniatuurportretten van haar broers en zusters, waaronder dit portret van Tsaar Nicolaas I (1796-1855).
Het is omstreeks 1840 in Duitsland of Rusland geschilderd op porselein.

Rechts: In de 17de eeuw werden bij het miniatuurschilderen ook andere ondergronden dan vellum gebruikt. Deze miniaturen, rond 1600-1610 in de
Zuidelijke Nederlanden vervaardigd naar portretten door Frans Pourbus II (1569-1622), zijn met olieverf op koper geschilderd. Deze gladde
ondergrond is zeer geschikt om kleine voorstellingen op aan te brengen. Het Habsburgse aartshertogelijk paar Albrecht (1559-1621) en Isabella
(1566-1633) was belast met de landvoogdij over de Nederlanden. De Noordelijke Nederlanden erkenden de Spaanse Koning echter sinds 1581
niet meer, zodat het echtpaar alleen de heerschappij over de Zuidelijke Nederlanden voerde.

In tegenstelling tot wat men zou verwachten is het woord miniatuur van oorsprong geen verwijzing naar het geringe formaat van de schilderijtjes.
Met de term werd verwezen naar de techniek van het verluchten van middeleeuwse handschriften. Hierbij werden beginletters of titels gedecoreerd
met rode loodverf: minimum. Pas in de loop van de geschiedenis vond er een verschuiving in betekenis plaats en werd het formaat, in combinatie met
de hieronder beschreven technieken, het criterium. Het leeuwendeel van de portretminiaturen in bezit van de Stichting Historische Verzamelingen
van het Huis Oranje-Nassau is kleiner dan 10 centimeter. Sommige exemplaren zijn zelfs nauwelijks groter dan een centimeter.


Men kan een drietal perioden onderscheiden waarbinnen deze kunst zich ontwikkelde. Miniatuur olie op koper c. 1700 was het begin. In de 18e eeuw
werd het portretminiatuur steeds algemener. Niet alleen Vorsten en de Adel lieten zich op deze manier vereeuwigen, velen konden het zich permitteren
en deden dat ook. Daar er brood in te verdienen viel, legden veel schilders zich speciaal op deze kunstvorm toe. Werd het miniatuur tot nu toe geschilderd
op hout, koper, perkament of papier (nogal eens op de achterkant van een speelkaart), in de 18e eeuw ontdekte men het ivoor als ideale
achtergrond. Transparante sapverf (denk aan het sap uit rode bieten) maakte het mogelijk de doorschijnende kleur van het ivoor te visualiseren.
Een ander voordeel was, een lossere penseelstreek te hanteren waarbij de kunstenaar nauwkeuriger kon werken en daardoor een beter beeld ontstond.
De Nederlander Daniël Bruyninx is in ons land een van de eersten die deze techniek toepast.

Links: Portretminiatuur van Koning Willem I (1772-1843). Op ivoor geschilderd door de Franse kunstenaar Louis Marie Autissier (1772-1830).
Autissier behoort tot de grote miniaturisten in het begin van de 19de eeuw. Hij schilderde voor de Koning van Holland, Lodewijk Napoleon (1778-1846)
en de Koning der Nederlanden, Willem I. Autissier was de leermeester van een andere beroemde miniatuurschilder, Alexandre De Latour (1780-1858).
Het miniatuur is gedateerd 1814, in de periode dat Willem I nog geen koning is, maar soeverein vorst. Hij draagt de borstster van de Orde van de
Kouseband, die hem in 1814 door de Prins Regent was verleend.

Rechts: Op dit ezelportret, geschilderd door de beroemde kunstenaar Franz Xaver Winterhalter (1805-1873), is Koningin Sophie (1818-1877)
te zien. Zij was de eerste vrouw van Koning Willem III en heeft een grote rol gespeeld bij de tot standkoming van de miniaturencollectie.
Regelmatig kocht zij aan op veilingen en bij de kunsthandel. Koningin Sophie bewaarde de miniatuur- verzameling in haar privé-vertrekken op
Paleis Huis ten Bosch. In de kast in de miniatuurkamer op het Koninklijk Huisarchief (zie volgende afbeelding), bewaarde zij hoogstwaarschijnlijk
een deel van haar collectie. Zij liet de portretminiaturen na aan haar zoon, Prins Alexander (1851-1884).

Links: Op deze miniatuur, met het portret van Barones Judith de Robais, heeft de schilder Jean Baptiste Massé (1687-1767) de mogelijkheden
volledig benut om verschillende soorten stoffen weer te geven. Vooral de witte satijnen jurk, met groentinten om glans te suggereren, en het
witgepoederde haar met bloemen, zijn prachtig geschilderd. Het portret is vervaardigd naar een ezelschilderij van Nicolas de Largillière (1656-1746).

Midden: Deze portretminiatuur van Prins Willem IV (1711-1751) werd in 2003 op een veiling in Londen verworven door de Stichting Historische
Verzamelingen van het Huis Oranje-Nassau
. Het emailportret is waarschijnlijk vervaardigd vlak na de installatie van Willem IV tot ridder in de
Orde van de Kouseband op 25 juni 1734; de Prins draagt hier het blauwe lint en de borstster van deze beroemde Engelse orde. Door de techniek van
het smelten van glas zijn emailles ongevoelig voor licht en vocht, zodat deze miniatuur niets van zijn kleurenpracht heeft verloren.
De lijst van paste diamonds, zoals imitatie diamanten worden genoemd, is uit dezelfde tijd.

Rechts: Miniatuur van Joseph Kreutzinger (1750/51-1829). Interessant detail is dat de vrouw in kwestie een miniatuur in haar hand houdt.
De miniatuur is waarschijnlijk ontstaan in de periode dat Kreutzinger in Sint Petersburg werkte. In deze stad schilderde hij veel miniaturen voor
leden van de Russische hofhouding.

Een miniatuur, wat is dat? Volgens het woordenboek is het een verkleinde uitgave van een groter geheel. Toch is dit niet altijd het geval. Zeker als het
gaat om Portretminiaturen. Het is een zeer verfijnde kunst die slechts weinig schilders onder de knie hebben. De geschiedenis van deze kleine
kunstwerken voert terug tot de middeleeuwse miniatuurkunst. De zeer secure werkwijze op klein formaat werd voortgezet in het portretminiatuur.
Hoewel veel schilders in de 16e eeuw zich met deze kunstvorm bezighielden, was het Hans Holbein de Jonge (1497-1543) die met zijn miniaturen
deze kunst tot een “erkend” vakmanschap wist te brengen. In de 17e eeuw waren er grote namen als G. Terborgh en G. Dou maar ook minder goede
meesters hielden zich met deze kunstvorm bezig, vaak zonder deze te signeren. In ons land is er maar een die zich met deze moeilijke vorm van
kuntstuiting bezig houdt. Dat is de meer dan 3/4 eeuw oude Frits ten Hagen.

Hans Holbein de Jonge (Augsburg, 1497/98 – Londen, 29 november 1543) was een kunstschilder die werkte in de stijl van de Noordelijke renaissance. Holbein werd geboren in Augsburg in Beieren, in een familie van kunstschilders, onder wie zijn vader, Hans Holbein de Oude (circa 1465-1524) en zijn oom Sigismund Holbein (overleden in 1540).Holbein leerde de schilderkunst van zijn vader. Hij verhuisde met zijn broer Ambrosius Holbein naar Bazel waar hij al in 1519 lid werd van het schildersgilde. Hij ontmoette veel geleerden, onder wie de Nederlandse humanist Erasmus, die eveneens in Bazel woonde. Holbein illustreerde een uitgave van Erasmus' Lof der Zotheid, die in 1514 door de drukker Froben in Bazel werd uitgegeven, en aanvankelijk alleen voor persoonlijk gebruik bedoeld was. De illustraties van Holbein zijn echter ook in latere drukken overgenomen.[1] In 1523 portretteerde Holbein zijn vriend Erasmus. Ook ontmoette Holbein hier de drukker Johann Amerbach. In 1519 huwde Holbein met Elsbeth Binzenstock, bij wie hij vier kinderen kreeg, twee dochters - Katharina en Küngold - en twee zoons - Philip en Jakob.

Tijdens zijn verblijf in Engeland bezocht Holbein zijn gezin echter nog maar een keer. Uit het testament van Holbein
blijkt dat hij in Londen twee buitenechtelijke kinderen had verwekt. Portret van Hendrik VIII, 1536-1537, tempera
op hout. Waarschijnlijk pendant van portret van Jane Seymour, zijn derde vrouw. Sammlung Thyssen-Bornemisza.
Holbein maakte kantlijn-illustraties voor een exemplaar van De lof der Zotheid uit 1515 voor de humanistische onderwijzer Oswald Geisshüsler (ook
bekend als Myconius of Molitor). Holbein illustreerde ook andere boeken, waarbij hij onder andere een bijdrage leverde aan de Bijbelvertaling van
Maarten Luther. Ook ontwierp hij gebrandschilderde ramen. Het beroemdst is Holbein echter geworden door zijn portretten. De onrust die de reformatie
met zich meebracht maakte het moeilijk voor Holbein om zichzelf te onderhouden als kunstenaar in Bazel.

De opdrachten van de Rooms-katholieke Kerk verminderden sterk in deze periode. Daarom maakte Holbein een reis via Antwerpen (waar hij de
stadsklerk Pieter Gillis bezocht) naar Londen. Daar kwam hij dankzij de aanbeveling van Erasmus in contact met Thomas More. Eerder reisde Holbein
ook naar Frankrijk en Italië. Rond 1530 schilderde hij een serie portretten van kooplieden uit de Stalhof (Steelyard), een hanzekantoor in Londen.
Dit was een dusdanig succes dat men voor de hal twee schilderijen bestelde, Triumphzug des Reichtums en Triumphzug der Armut. Deze gingen verloren
tijdens een brand, maar kopieën hangen in het Ashmolean Museum in Oxford. Deze schilderijen werden door de handelaars vaak teruggestuurd naar de
familie in Duitsland. Thomas More introduceerde Holbein aan het Engelse hof.

Korte tijd ging Holbein terug naar Bazel. Hij nam daar het hervormde geloof aan, maar maakte ook een beeldenstorm en een burgeroorlog mee.
Holbein ging terug naar Engeland, waar hij in 1536 werd aangesteld als hofschilder van Hendrik VIII, hoewel zijn beschermer Thomas More inmiddels
in ongenade was gevallen. Hij schilderde aan het hof niet alleen portretten van de Koning, diens Koningin Jane Seymour (rond 1536) en vele rijke
hovelingen, maar ontwierp ook staatsiegewaden voor de Koning. Nadat de meeste geliefde vrouw van Hendrik VIII, Jane Seymour, was overleden,
schilderde Holbein Anna van Kleef gedurende de onderhandelingen voor een nieuw huwelijk van de Koning. Dit was een gebruikelijke praktijk in deze
eeuwen voor de uitvinding van de fotografie. De Majesteit vond het portret, nadat het huwelijk gesloten was, echter veel te flatteus uitgevoerd.
Holbein overleed in 1543 aan de pest.