OranjelogoDe Huizen van Oranje en NassauNassau
Majesteitelijke Tuinen
Vlag BelgieVlag NederlandGouden KroonVlag LuxemburgVlag Duitsland

Koninklijke Tuinen

Ontstaan Majesteitelijke tuinen

In de veertiende eeuw legde men tuinen in de binnenhoven van kastelen aan, zoals bij het Muiderslot. Dit waren de zogenaamde nutstuinen;
afgebakende stukken grond voor onder meer boomgaarden. Maar ook de plaats waar kruidenplanten voor medicinale doeleinden werden gepoot.
Zo had men en een stuk grond voor voedsel en voor de gezondheid. Buiten Nederland werden in de Middeleeuwen binnen een aparte kleine omheining
siertuinen of lusthoven aangelegd. Deze tuinen worden vaak in schilderijen afgebeeld en verwijzen naar religieuze en erotische motieven. Naast de
nuttige tuinen en lusthoven bestond in de Middeleeuwen de vergeestelijkte tuin, de kloostergangtuin. In deze vierkante, eenvoudige tuin, omringd
door een kloostergang, heerste devotie en rust. In de renaissance ontwikkelde de tuinarchitectuur zich en werd de aanleg van een tuin een vak
op zich. Er ontstond samenhang tussen de architectuur van het huis en de inrichting van de tuin.

In de tweede helft van de zestiende eeuw werden in de buurt van Rome en Florence nieuwe buitenplaatsen gebouwd zoals Villa d’Este in Tivoli en de
Villa Borgese in Rome. De nieuwe tuinopvattingen verspreidden zich over Europa. De Nederlandse renaissance tuinen die hieruit voortkwamen,
waren buiten de steden gelegen en vormen een geheel van vierkanten en rechthoeken waarvan een groot deel in beslag werd genomen door
moestuinen. Willem III introduceerde in Nederland de Franse classicistische tuinstijl rond 1680. De plattegrond van deze tuin liet een nieuwe
opvatting zien; door een strakke, lange middenas wordt gespeeld met perspectief en ruimte. De tuin ging over in de omgeving eromheen en
zo veranderde het karakter van de tuinen van gesloten naar open.

In Nederland bestaat geen ongerept landschap meer; elk stukje natuur is door de mens ingericht of wordt onderhouden door menselijke ingrepen.
Het Nederlandse landschap wordt daarom ook wel een parklandschap genoemd. De laatste jaren is steeds meer de trend ontstaan om het
oorspronkelijke Nederlandse landschap terug te brengen. Met ‘nieuwe natuur’ worden natuurgebieden bedoeld die ontworpen en gecreëerd zijn
door de mens, maar zijn gebaseerd op de oorspronkelijke natuur. Gebieden die eerder gebruikt werden voor landbouw worden teruggegeven aan
de natuur, hetgeen mooie, ongerepte gebieden, maar ook de nodige protesten oplevert.

Voorbeeld Engelse tuin met Tempel der Liefde, voorbeeld Japanse tuin in Cowra (NSW) Enegalnd en Versailles in Parijs Frankrijk.

Landschapsarchitecten, tuininrichters en ontwerpers worden ingezet om hun visie om te zetten in concrete inrichting van groene gebieden.
Ook kunstenaars zijn vaak betrokken bij dit soort projecten. Vanaf 1970 is in de beeldende kunst een kunstvorm ontstaan waarbij het landschap zelf
als materiaal gebruikt wordt; Land Art. De kunstenaar werkt in en met de vrije natuur, doet ingrepen in het landschap of laat hier beelden en tekens
achter. Een mooi voorbeeld van Land Art in Nederland is de Groene Kathedraal van Marinus Boesem. In 1987 is het langdurige groeiproject in Almere
van start gegaan met het aanplanten van 178 Italiaanse populieren in de vorm van de plattegrond van de Notre Dame van Reims. De betonnen
paden zijn in 1996 voltooid en 'weerspiegelen' de kruisribben van de gotische gewelven, waarbij de lange, ranke bomen denkbeeldige zuilen zijn.
Kunst, landschap en natuur smelten hier tot een nieuwe eenheid samen.


Versailles, Bassin Apollo, Parijs Frankrijk.

Kennis van de verschillende stijlen en van het verschil in weer in diverse landen werd bij het aanleggen van tuinen bij ons eenvoudig onnodig geacht.
Wil men iets „ouds" maken, dan kopieert men eenvoudig een of meer oude afbeeldingen, of deze dan uit verschillende tijdperken of landen afkomstig
zijn is niet van belang. De toepassing geschiedt dan maar naar de persoonlijke opvatting en smaak. De producten van zulk werk zien wij overal om
ons heen. De schuld hiervan berust voornamelijk bij de eigenaren, die zelf niet weten wat zij eigenlijk verlangen. Andere vormen van tuinen zijn zeer
wel bekend. Ook de verscheidenheid aan dienstbaarheid van deze landschapsveranderingen kwam tot stand. Meestal dankzij de creativiteit van
degene die dit aanlegde en soms via de opdrachtgever. Denk maar eens aan de moes-,de bloemen-, de kruiden-, de wilde-, en de vijvertuin.
Weldra gevolgd door de kasteel-, de paleis- en de kloostertuin. Voorbeelden van hoofdtuinen, zoals eerder vermeld vindt men hierboven.


Engelse tuin, Slotgracht Paleis Zeist. Engels-Chinese tuin Oraniënbaum, Duitsland en Engelse tuin, Wilhelminapark Utrecht.

Maar wat is nu het verschil tussen een Engelse-, een Franse-, een Chinese- en een Japanse tuin? Wel, enig uitleg lijkt hierop zijn plaats. Een Engelse
tuin is een landschapstuin, die in de mode kwam in de tweede helft van de achttiende eeuw en het begin van de negentiende eeuw. De Engelse tuin
verschilt volledig van zijn tegenhanger, de Franse tuin. Men stapte af van het idee dat de natuur beheerst moest worden door de mensen. De tuinen
werden nu aangelegd zonder symmetrie en evenwicht, er werden nog steeds sobere paviljoentjes opgetrokken; beeldhouwwerken werden schaars.
Het concept leunt op de voorstelling van romantische, parkachtige landschappen met verrassende doorkijkje's.

In de praktijk wordt dit doorgaans gestalte gegeven door de aanleg van grasvelden, liefst op heuvelachtig terrein, omgeven door en afgewisseld met boomgroepen. Nog tijdens het Ancien Régime (vóór 1789 dus) raakte de strakke barok al uit de mode, wat goed te zien was in de Engelse Mode
(Mode à l'Anglaise), die later overvloeide in de romantiek. In de tuinaanleg blijft water nog steeds belangrijk. Er worden vaak kunstmatige meertjes
aangelegd. Ook het Bassin Apollon in de tuinen van het Franse Chateau de Versailles zijn sprekend. Voorts de aanleg van de bekende Engelse tuin in
het Wilhelminapark te Utrecht, die weerspiegelt de aanleg van diverse meertjes en waterlopen. Een ander voorbeeld is de Englischer Garten in
München, vanaf 1792 aangelegd. Het is een van de eerste Engelse tuinen bij een stad. Bekende Engelse tuinen en parken zijn
te vinden in in België en Nederland.

België

* Koninklijke Kasteeltuin van Laken
* Het Park van Laken
* Het park van de kastelen van Heks, Wannegem-Lede, Loppem, Belœil.
* Kasteeltuin Hof ter Saksen, Beveren-Waas
* Het Citadelpark te Gent
* De Nationale Plantentuin van België

Andere Landen

John Vanbrugh

* De Paleistuin van Buckingham Palace, Londen
* Los jardines del Buen Retiro, Madrid
* Stourhead, in Wiltshire (Engeland)
* Englischer Garten, München
* Als onderdeel van de tuin van het Paleis van Caserta, Napels
* Kew Gardens, Richmond

Beroemde en bekende Architecten van Engelse tuinen zijn:

* Stephen Switzer (1682-1745
* William Kent (1685-1748)
* Charles Bridgeman
* Capability Brown (1716-1783)
* John Vanbrugh (1664-1726)
* Lodewijk Wilhelmus Copijn (1878 - 1945)
* Lucas Pieters Roodbaard (1782 - 1851)
* Benjamin Thompson (1753 – 1814)
* Eduard Petzold (1815 - 1891)

Een Franse tuin (Jardin à la Française) of baroktuin is een formele tuin die is aangelegd in een Franse stijl, naar model van de Italiaanse
Renaissance-tuin. Een bekend voorbeeld is de gelijknamige Franse tuin in Versailles.De eigenlijke Franse tuin werd geschapen door
Claude 1e Mollet en zijn zoon André Mollet. bij het Kasteel van Vaux-le-Vicomte; later werd hij tot architect des Konings benoemd aan het
hof van Versailles. Hun opvolger le Nôtre slaagde erin symmetrie, grote grasvelden met parterres, geschoren hagen in strakke lijnen en
buxusheggetjes te verwerken in een harmonieus landschap. Nadat Le Nôtre internationale faam had verworven, breidde deze tuinstijl
zich al snel uit naar andere Europese hoven.

Zij waren het die sinds de ontwerpen van de tuinen van het kasteel Chenonceau in Frankrijk de grondlegger waren van de formele Franse
tuin. Dit werd nog eens bevestigd door de Koningin-moeder Catharina d’Medici en de latere Koning Henry IV van Navarra.
LeNotre werd geholpen door betere financiële middelen, een innovator van de designs en ideeën van de beide Mollets tot 1665. De familie
Mollet met de premier jardenier du Roi van Claude Mollet voorop waren de ontwerpers, die voor het eerst de Koninklijke tuinen van
Prins Maurits en Prins Frederik Hendrik ter hand namen. Dit gold voor de meeste paleizen en buitenverblijven. Na 1665 kwamen Europa
wijdt andere ontwerpers in beeld, die in de voetsporen van de Mollets tuinen ontwierpen.

In vele landen verschenen pompeuze paleizen met een strakke Franse tuin. Vlak voor de Franse Revolutie verwelkte de stijl; veel architecten kozen
toen voor de Engelse tuin. Versailles kwam in het bezit van Lodewijk XIII toen hij in 1623 tot koning werd gekroond. Hij liet er een jachtslot bouwen
met een grote en vrij wilde tuin. In opdracht van Koning Lodewijk XIV werd het jachtslot vervangen door een paleis naar een ontwerp van architect
Le Vau. Het prachtige paleis moest worden aangevuld met minstens zo mooie tuinen, die konden worden gebruikt voor de jacht en voor feesten.
Landschapsarchitect André le Nôtre ontwierp de tuinen van het paleis zoals wij ze vandaag de dag kennen.

Het gigantische park omvat zo'n achthonderd hectare, waarvan driehonderd hectare bestaat uit bossen. De muur om het park is meer dan veertig
kilometer lang. Het terrein bestaat uit een Franse tuin, het dorpje 'Le Hameau de la Reine', de moestuin van de Koning en twee paviljoens met
lusthoven: Grand Trianon en Petit Trianon. Le Nôtre ontwierp de tuinen in de lijn van het absolutisme. Deze Franse regeringsvorm maakt alle ambten
binnen de staat ondergeschikt aan de Koning. In de Franse tuin werd de natuur dan ook onderworpen aan de wensen van de Koning. Nôtre maakte
gebruik van symmetrie en barokke stijlelementen. De tuin is ingedeeld aan de hand van een aantal brede lanen.

Chateau Chemonteau (Frankrijk), Paleis het Loo (Nederland) en de tuinen van Versailles Parijs (Franrkijk).

De tuinen bevatten bloemperken, vijvers, een doolhof, een oranjerie met exotische planten, zuilengalerijen, beelden, fonteinen en rustplaatsen die
vanwege het uitzicht speciaal door Lodewijk werden uitgezocht. De buxushagen werden in speciale patronen gesnoeid die waren gebaseerd op de
tapijten van Ispahan. Lodewijk was gek op fonteinen en watervallen. De symmetrisch ontworpen vergulde fonteinen werken nog steeds zoals in de
tijd dat de Koning door het park wandelde. Ze zijn versierd met beelden van goden, mythische figuren en de seizoenen, allemaal onderworpen aan
de macht van de Vorst zoals absolutisme voorschrijft.

Er werd enorm veel water verbruikt, waarvoor aquaducten en kanalen werden aangelegd om de fonteinen van voldoende water te kunnen voorzien.
Om water te besparen werden ze alleen aangezet als de Koning aan het wandelen was. Tegenwoordig werken de fonteinen alleen op zondag van mei
tot en met oktober. Lodewijk hield ook van gondels. Hij liet een aantal gondels met gondeliers vanuit Venetië overkomen naar Versailles, waar ze door
de | kanalen konden varen. Vlakbij de kleine trianon werd in 1785 een klein dorpje gebouwd. Marie-Antoinette wilde op deze manier ontvluchten van
het strenge protocol aan het hof en leven als een boerin.

Daarnaast was een groentetuin naar ontwerp van Jean-Baptiste de la Quintinie onderdeel van de tuinen van Versailles. Naast groente en fruit, werden
er ook bloemen geteeld. De groentetuin is tot op de dag van vandaag niet veranderd. Het park bevatte ook een menagerie waar exotische dieren
werden gehouden. Deze kleine dierentuin werd tijdens de Franse Revolutie echter afgebroken. Vele Franse kastelen, vooral de grote
Renaissancekastelen in de Loirevallei, hebben nog Franse tuinen. Bekende voorbeelden zijn te vinden in:

  1. Château de Versailles door André Le Nôtre, tuinarchitect des Konings.
  2. Château de Villandry in de Loirevallei.
  3. Château de Chenonceau van Diane de Poitiers
  4. Kastelen van de Loire.
  5. Paleis het Loo in Apeldoorn.

Een van de bekendste Franse tuinarchitecten was André le Nôtre. Hij werd in 1613 in Parijs geboren als de zoon van Jean le Nôtre, die de tuinarchitect was van Lodewijk XIII en hoftuinman van de Tuilerieën. André trad in de voetsporen van zijn vader en werd tuin- en landschapsarchitect. Ook studeerde hij fijne kunsten in Parijs. Vanaf 1645 werkte hij in opdracht van Koning Lodewijk XIV en ontwierp hij de tuinen
voor deze Vorst.

Zijn bekendste en belangrijkste werk zijn de tuinen van Versailles nabij Parijs. Ook heeft hij de Tuilerieën in Parijs verder verfraait in opdracht van Colbert, die Minister van Financiën was ten tijde van Lodewijk XIV. De as die door deze tuinen loopt is ook vandaag de dag nog de centrale as die in Parijs de Arc de Triomphe en La Defense met elkaar verbindt. Het werk van Le Nôtre kenmerkte zich door barok,

André le Notre

symmetrie en regelmatigheid. De stijl waarin hij zijn tuinen ontwierp wordt die van 'de Franse Tuin' genoemd, hierin is het absolutisme waarmee Lodewijk regeerde terug te zien. Net zoals de onderdanen werd ook de natuur geheel onderworpen aan de wensen van de Koning.
Le Nôtre werd een persoonlijke vriend van de Vorst en genoot in zijn tijd veel bekendheid. Hij haalde dan ook grote opdrachten binnen.

Naast Versailles ontwierp hij tevens de tuinen van de kastelen van Vaux-le-Vicomte, Chantilly en Saint-Germain-en-Laye. Ook Sint James's Park in Londen is van zijn hand. De stijl van Le Nôtre is in Nederland en de rest van Europa veel gekopieerd in tuinen rond buitenhuizen en landgoederen. Iedere persoon die aanzien genoot wilde een tuin vergelijkbaar met die van Versailles. Het bleek echter zeer moeilijk Le Nôtre te evenaren.
Het uitzicht vanaf de Symbolic-berg in Cowra laat veel typische elementen zien van een Japanse tuin Een stenen lantaarn omgeven door planten.
De dakvorm zorgt dat een laagje sneeuw achterblijft dat ideaal voor foto's is Karesansui-tuin in Tofuku-ji, Kyoto. Deze tuin heeft een overvloed aan
planten, waaronder de seizoensbloemen. Een Japanse tuin (Kanjiho, nihon teien) is een tuin in traditioneel Japanse stijl. Ze komen voor bij privé
stukjes grond, wijken, stadsparken, Boeddhistische tempels en bij landschapskenmerkende gebouwen zoals oude kastelen.

In een Japanse tuin groeit vooral:

* Bamboe
* Japanse esdoorn
* VarensS
* Ginkgo biloba (Japanse notenboom)
* Azalea
* Rododendron
* Kalmia
* Cornus
* Spirea
* Mossen
* Camellia

Typische elementen van een Japanse tuin zijn:

 

* Water
* Een eiland
* Een brug naar het eiland
* Een lantaarn (meestal van steen)
* Een (thee)huis



v.l.n.r. : Japanse tuin in Cowra NSW (Engeland). Erinji tuin in Clingendael (Nederland) en de Japanse tuin (Zen) in Portland USA.

In Nederland bevinden zich meerdere Japanse tuinen, bijvoorbeeld:

* In het park Clingendael bij Den Haag
* In het Amstelpark in Amsterdam
* In DierenPark Amersfoort
* In Den Helder
* In Lelystad bevindt zich de Tsubo-en tuin. Dit is een moderne Zen of karesansui (droge steen) tuin, die veel gebruik maakt van vorm-snoei.

In België:

* De Japanse tuin in Hasselt is de grootste in Europa.
* Een kleine maar prachtig aangelegde Japanse tuin, de Entoshof, bevindt zich in Rijssen.
* In Oostende

De Japanse tuin is ook in het westen zeer populair en dat is niet zo verwonderlijk, gezien de eenvoud en rust die deze tuinen over het algemeen
uitstralen. Er bestaat echter niet zoiets als dé Japanse tuin maar er zijn verschillende typen, zoals tuinen om in te wandelen en tuinen om te mediteren.
Beide typen zijn ook bekend en worden hier vaak aangelegd, al zal de aanleg van een 'echte' Japanse Zen-tuin veel achtergrondinformatie vereisen en
een goed inzicht in de Japanse symboliek die hier veel gebruikt wordt. In Hasselt vinden we de grootste Japanse tuin van België. Deze tuin is 25.000
m² groot
en is daarmee zelfs de grootste Japanse tuin van Europa. De tuin stamt uit 1992 en is het gevolg van de vriendschapsband tussen
Hasselt en de Japanse plaats Itami.


v.l.n.r.: Hasselt (B) Het Ceremoniehuis. De schitterende karpers. Hasselt (B)

Voor de oorsprong van de Japanse tuin moeten we, net als bij de geschiedenis van muziek en dans, terug naar de vroege shintô-tijd (tot ongeveer de
achtste eeuw). Shintô had (en heeft het nog steeds wel) een diepe impact op de mens. Onbegrepen fenomenen als ziekten, overstromingen,
aardbevingen, slecht weer met daardoor slechte oogsten werden toegeschreven aan de luimen van de kami (shintôgoden). De goden gunstig stemmen
door offeren, dansen en muziek maken is iets dat we natuurlijk in veel godsdiensten terugvinden en dus ook bij shintô. Deze dansfeesten werden
meestal op het terrein rond de shintôtempel uitgevoerd en we vinden dan ook rond deze shintôtempels natuurcreaties terug met zaken als stenen,
waterpartijen met eilandjes, bomen. Bedenk dat stenen en bomen in het shintô een grote rol spelen omdat hier de 'kami' kunnen wonen.

Nog steeds zien we in Japan bijzondere bomen en stenen die als heilig worden beschouwd. De contacten met China en Korea en de komst van het
boeddhisme (zesde eeuw) beïnvloedden het denken en ook in de aanleg van tuinen zien we boeddhistische elementen komen. Het keizerlijk hof begint
dan ook met de aanleg van siertuinen waarbij door de vele voorbeelden van boeddhistische tuinen in China de invloed van het boeddhisme, ook in de
tuinarchitectuur, steeds groter wordt. Aanvankelijk hebben particulieren nog helemaal geen eigen tuinen maar met name tijdens de Nara-periode
(710-794) als de hoofdstad Nara helemaal opnieuw wordt gebouwd en aangelegd, begint de dan nog machtige aristocratie met het aanleggen van
tuinen bij hun woningen, waarbij men veel gebruikt maakt van water, eilandjes en bruggen, elementen die we nog steeds terugvinden in de Japanse
tuin. Verdere verfijning van de tuinarchitectuur vindt plaats tijdens Heian-periode (794-1185, als Heian, het huidige Kyoto, hoofdstad is) als het
hofleven zich wentelt in allerlei kunstvormen, als kalligrafie en poëzie.


v.l.n.r.: Grote waterval Japanse tuin Hasselt (B), ceremoniehuis met lantaarn Japanse tuin Hasselt (B) en de waterval.

In 1191 werd het Zenboeddhisme geïntroduceerd door de monnik Eisai en als tijdens de Kamakura-periode (1185-1333) een burgeroorlog door Japan
woedde, werd de meditatietuin populair. Daarna brak er weer een relatieve rust aan tijdens de Muromachi-periode (1333-1573). De populariteit van de
meditatietuin verschoof naar andere zaken als de theeceremonie (hoewel deze nog steeds een hechte verbinding heeft met het zenboeddhisme), met
een daarbij behorende theetuin. Nu worden ook de gebouwen als paviljoens en theehuisjes bepalend voor de uitstraling van de tuin. De theetuin rond
het theehuisje was zeer belangrijk en diende om de geest vast voor te bereiden zodat men de theeceremonie in rust en met de juiste geestelijke
kracht en instelling kon bijwonen. Een dergelijke pad naar het theepaviljoen behoorde te zijn als het geestelijke pad dat men dan diende af te leggen.

Het was bedoeld om de wereld achter je laten en in de juiste geestestoestand het paviljoen te betreden, zonder wapens, door een lage ingang, zodat iedereen moest bukken om zich zijn eigen nederigheid bewust te zijn. Het toegangspad naar het theepaviljoen werd, voordat de gasten kwamen,
zeer zorgvuldig schoongemaakt, maar, omdat men niet van perfectie houdt, werden er alsnog één of twee bladeren bewust neergelegd. Pas in de
Edo-periode (1603-1868) komen er kleine(re) stadstuinen en wandeltuinen. Niet alleen is de symboliek belangrijk, maar ook heeft men meer oog
voor fraaie composities in de tuin.