OranjelogoDe Huizen van Oranje en NassauNassau
Wapenboeken
Vlag BelgieVlag NederlandGouden KroonVlag LuxemburgVlag Duitsland

Wapen der NederlandenHeraldische WapenboekenWapen der Nederlanden

Wapenborden Orde Gulden Vlies

vervolg

De motto's van de Orde van het Gulden Vlies zijn "Pretium Laborum" en "Non Vile" oftewel "Beloning voor werk" en "niet te koop". Op de keerzijde staat
"Non Aliud", de Latijnse vertaling van het Franse "Autre n'auray". Dit "Ik begeer geen andere" slaat op het exclusiviteitsprincipe van de Orde.
Oorspronkelijk werden de ridders geacht geen andere Orde, en vooral geen andere grootmeester, aan te nemen. De bul van paus Leo X, waarbij de stichting
van de Orde werd bevestigd door de paus is voor de Orde erg belangrijk. De bul bevindt zich sinds 1934 in het Haus-, Hof- und Staatsarchiv in Wenen.
De Bul plaatst de Orde in de invloedssfeer van het kerkelijk recht en de rechtsmacht van de pausen. Karel V heeft de ridders slechts eenmaal tijdens zijn
lange regering bijeengeroepen voor een kapittel. Dat werd in Barcelona gehouden. Karel liet de titel van Grootmeester na aan zijn zoon Filips II.
Maar ook Karels broer, Ferdinand, die na de abdicatie van Karel V Keizer werd, eigende zich het recht toe om ridders in deze Orde te benoemen.


Jehan de Crequy. Jehan de Croÿ, Comte de Chimay en Jehan de Damas, Seigneur de Clessy.

De vliesridders waren niet onderworpen aan de wereldlijke rechtsmacht, maar aan het eigen gerecht van de Orde. Tijdens de regering van Filips II werd
deze bepaling genegeerd. De veroordeling in 1568 door de "Bloedraad" en de daaropvolgende terechtstelling van de Graven van Egmond en Hoorne,
beiden ridder van het Gulden Vlies en dus onschendbaar, was immers in strijd met deze bepalingen. Er werden in de daaropvolgende jaren geen
kapittelvergaderingen meer gehouden om Koning Filips II de schande te besparen hiervoor ter verantwoording geroepen te worden. De gerechtelijke
moord op de twee vliesridders belandde in de doofpot. Tijdens de Spaanse Successieoorlog in de 18e eeuw, ontstond naast de Spaanse tak ook een
Oostenrijkse tak van de Orde. De Spaanse en Oostenrijkse kanselarijen correspondeerden vruchteloos over deze kwestie totdat in 1700 met de dood
van Karel II de Spaanse Habsburgers uitstierven.


Jehan de Melleyn, Seigneur d'Antoing. Jehand de Neufchatel, Seigneur de Montagu. Jehan de Rubempré, Seigneur de Biévres en Jehan de Villiers.

Filips van Anjou, kleinzoon van Lodewijk XIV van Frankrijk, uit het Huis Bourbon, die in 1700 als Filips V koning van Spanje werd, noemde zich, zonder
dat hij daar een overtuigend recht op kon doen gelden, grootmeester van deze orde. Oostenrijk protesteerde tevergeefs. De laatste Habsburgse Keizer,
Karel VI, stierf in 1740. Zijn dochter, Maria Theresia, erfde van haar vader niet alleen zijn grondgebied maar ook de zeggenschap over de Orde.
Het Huis Habsburg-Lotharingen erfde aldus de titel met de Oostenrijkse landen en de Oostenrijkse Nederlanden. Paus Pius X heeft het privilege van het
Altare portabile in een Breve van 10 februari 1913 nog eens bevestigd. Volgens kerkrechtsgeleerde Franz Xaver Brandmayr gelden alle aflaten
en privileges nog steeds. Ze zijn in de steeds aangevulde Stiftbrief van de Orde opgesomd.


Jehan II, Duc d'Alençon, Comte de Perches. Jehan IV d'Auxy, Seigneur de Fontaine-sur-Somme en Jehan, Baron de Ligne.

De schat van de Orde was eeuwenlang in Brussel bewaard maar moest in 1794 voor de oprukkende Franse troepen worden gered. De schat werd in Wenen
ondergebracht. Jozef Bonaparte, Napoleons oudere broer, zag zich als Koning van Spanje al Grootmeester van deze Orde. Hij verleende het Gulden Vlies
aan zijn broers Napoleon Bonaparte en Lodewijk Napoleon Bonaparte, Koning van Holland. Keizer Napoleon heeft op zijn beurt een "Orde van de Drie
Gulden Vliezen" willen instellen. De keuze van de naam van deze Orde wees erop dat hij een derde Orde wilde instellen, hoger in rang dan de Spaanse of
Oostenrijkse tak. Deze Orde is niet tot bloei gekomen door het protest van de Légion d'honneur, dat niet op de tweede plaats wilde komen.

In 1815 speelde Koning Willem I der Nederlanden met de gedachte om het Gulden Vlies in zijn rijk, dat grotendeels de landen van de Bourgondische
Hertogen omvatte, als een Nederlandse tak van de Orde in te stellen. Daar kwam niets van, waarschijnlijk omdat 's Konings oudste zoon al ridder in de
Spaanse Orde was. Nederland zou daarmee ook de Habsburgers voor het hoofd hebben gestoten.


Josse, Seigneur de Lalaing. Loys de Bruge, Comte de Winchester, Seigneur de Gruthuse pair de Steenhus. Loys de Châlon, Seigneur de Chateauguyon en Martin, Seigneur de Polhain

Karel IV van Spanje nam in 1805 Koning Lodewijk Napoleon Bonaparte van Holland op in het Spaanse Gulden Vlies. Zonder recht daartoe te bezitten nam
Joseph Bonaparte met de Spaanse troon ook de Orde van het Gulden Vlies in bezit. Hij benoemde vijf Spanjaarden in de orde; het ging om Manuel José de
Negrete, Duque de Campo Alange; Diego López Pacheco, Duque de Frías; Carlo-Canuto-Sebastiano Ferrero Fieschi, Príncipe de Masserano; Gonzalo
O'Farrill en Miguel de la Grúa Talamanca, Marqués de Branciforte. Na de restauratie (het herstel van de monarchie van de Spaanse Bourbons) in 1813 zag
men de Spaanse tak van de Orde van het Gulden Vlies als een civiele ridderorde die ook kon worden verleend aan protestanten zoals de Hertog van
Wellington, Koning George IV van het Verenigd Koninkrijk en de Prins van Oranje, de latere Koning Willem II.

In 1814 en 1816 volgden de Prins van Oranje en Koning Willem I. De latere Koning Willem III werd in 1842 ridder en zijn zoon de Prins van Oranje in
1863. In 1924 werd ook Prins Hendrik ridder van het Gulden Vlies. De protestantse Koning Leopold I van België werd in 1835 in het Spaanse Gulden Vlies
opgenomen. Al deze protestantse Vorsten konden niet toetreden tot het Oostenrijkse Gulden Vlies. Na de abdicatie van Koning Alfons XIII in 1931 was de
Spaanse tak van de Orde jarenlang een zelden verleende Huisorde van de Spaanse Koningsfamilie, totdat de monarchie met Juan Carlos weer hersteld werd
in 1975. De Spaanse Koning verleende de Orde van het Gulden Vlies de afgelopen jaren aan vooraanstaande Spaanse edelen, goede vrienden en bevriende
staatshoofden. Keizer Akihito van Japan liet de zware gouden keten in zijn Madrileense hotelkamer liggen. De keten, die bij het overlijden van een ridder
terug moet worden gebracht naar Spanje, is sindsdien zoek.


Maximiliaan, Empereur d'Autrice. Philippe de Crevecoeur, Seigneur de Cardes en Philippe de Bourbon.

De Oostenrijkse tak van de Orde bleef steeds het exclusieve bezit van het hoofd van het Huis Habsburg en houdt zich, tot op heden, aan de oude statuten.
De laatste Keizer, Karel I, nam in 1918 de kostbare gouden ordetekenen mee in ballingschap en gaf ze in bewaring aan zijn Zwitserse advocaat. Maar deze
verduisterde het goud en verdween. De "Ordensschatz" bleef achter in Wenen. De belangrijkste stukken worden bewaard in de "Weltliche Schatzkammer"
in het Kunsthistorisches Museum in Wenen, waaronder het "Schwurkreuz", het kruis waarop pasbenoemde ridders de eed aflegden.
De Oostenrijkse tak is eeuwenlang geregeld in kapittel bijeengekomen en ook nu nog vinden plechtige bijeenkomsten van de Orde plaats.

Karel van Habsburg-Lotharingen is "hoofd en soeverein" van de Orde. Koning Juan Carlos I van Spanje is "soeverein". De Spaanse Koning heeft tijdens het
moderniseren van de monarchie en de ontwikkeling van het constitutionele koningschap in de 19e eeuw concessies moeten doen waar het zijn invloed op
het decoratiestelsel betreft. De Spaanse regering heeft net als andere Europese regeringen de zeggenschap en ministeriële verantwoordelijkheid over de
Spaanse Orden verkregen. Toch bezit de Orde van het Gulden Vlies in Spanje karakteristieken van een huisorde van de Spaanse Bourbons.


Philippe de Croÿ<Comte de Chimay. Philippe de Pot, Seigneur de la Roche et Nolay. Philippe de Savoy, Comte de Fauge et Seigneur de Bresse en
Pierre de Bauffremont, Comte de Charny.

De Koning en de Prinsen van het Huis Bourbon, ook in de tak Bourbon-Beide Siciliën, werden en worden veelal Spaanse vliesridders. De door Napoleon
op de Spaanse troon gezette Jozef Bonaparte nam als Spaans Koning ook het grootmeesterschap van de Orde van het Gulden Vlies over. Zijn benoemingen
werden na zijn verdrijving en de restauratie van de Bourbons geschrapt. De benoeming van de protestantse Hertog van Wellington was een doorbraak.
Voor het eerst werd een protestant vliesridder. Daarna werd de Orde van het Gulden Vlies in Spanje meer en meer een Orde van verdienste die aan
politici en zelfs aan niet-christenen zoals de Keizer van Japan werd verleend. De plechtigheden van de orde zijn sinds de 19e eeuw vervallen.

Koningin Isabella II van Spanje was als Spaans staatshoofd het enige vrouwelijke hoofd van de Orde van het Gulden Vlies. Na haar val, tijdens de Eerste
Spaanse Republiek, werd de president geacht grootmeester van de Spaanse orden, waaronder de tot de staatsorden gerekende Orde van het Gulden Vlies
te zijn. De verkozen koning Amadeus I van Spanje uit het Huis Savoye was, als Spaans staatshoofd, van 1870 tot 1873 ook grootmeester en chef van de
Orde van het Gulden Vlies. Hij benoemde enige ridders. In 1873 werd de monarchie hersteld. Alfons XII van Spanje en Alfons XII van Spanje waren
Grootmeester van de Orde van het Gulden Vlies. Tijdens de Tweede Spaanse Republiek en het regentschap van Franco beschouwden de verbannen Koning Alfons XIII van Spanje en zijn van de troon geweerde zoon de Graaf van Barcelona, zich als grootmeester en chef van de Orde van het Gulden Vlies.
Zij waren zeer terughoudend met vijf benoemingen die, afgezien van Koning Boudewijn der Belgen alleen in familiekring plaatsvonden.


Pierre de Henin. Pierre de Luxembourg en Pierre Ernst Crust, Comte de Mansfeld.

De huidige Koning, Juan Carlos van Spanje werd pas in 1977, twee jaar nadat hij in plaats van zijn vader de troon besteeg, door zijn vader als opvolger in al
diens rechten en aanspraken erkend. Het hangt van de opvatting over legitimisme en de aanspraak van de Spaanse staat op de Orde van het Gulden Vlies
af of men Juan Carlos vanaf 1975 of 1977 grootmeester en chef van de Orde van het Gulden Vlies laat zijn. De huidige Koning heeft sinds 1977 vijftien
ridders benoemd. Daaronder is Koningin Beatrix der Nederlanden, de eerste vrouw die de keten van de Orde van het Gulden Vlies droeg.
De Koning en de Prins van Asturië dragen vaak een miniatuur van het juweel aan een smal rood lint om de hals. Het gulden vlies zelf is slanker dan de
Oostenrijkse variant van het Gulden Vlies, de pootjes van het ramsvel komen bijna bij elkaar.

Sinds 1995 is er geen Spaanse benoeming meer geweest. Anders dan in Spanje is het Gulden Vlies in Oostenrijk en ook na de val van de val de monarchie
steeds een los van de staat staand instituut gebleven. De orde werd door Oostenrijk na de Eerste Wereldoorlog dankzij de inspanningen van kanselier
Arthur Polzer-Hoditz en de vliesridder en interim-kanselier Max van Hohenberg (1902 - 1962) als instituut en rechtspersoon in het internationale recht
erkend. Frans-Jozef vond de ceremoniën en de rijke ordekleding niet meer bij zijn tijd passen.

Zo werden de kaoittels de missen en de plechtige installatie na 1852 achterwege gelaten. Ook het dragen van de beroemde potence met de wapens van de
ridders en de beëdiging van de kanselier vervielen. De ridders werden, net als de ridders van de andere orden, wèl bij de plechtige jaarlijke processie op
sacramentsdag verwacht. Daar droegen zij hun militaire- of hofuniformen. De vliesridders hoefden geen adelsproef te leveren. Dat zou gezien de
beperkte en hoog aristocratische kring ook overbodig zijn geweest.


Regnault, Seigneur de Brederode et Vianen. Reinoud II de Brederode, Seigneur de Vianen. Roland d'Uutkerke en Simon de Lalaing, Seigneur de Santes et de Montigny.

Het was gebruikelijk om een speciale kleine keten van het Gulden Vlies in de wieg van de zonen van de Keizer te leggen. Andere Aartshertogen werden
rond hun 16e of 18e verjaardag in de Orde opgenomen, maar het initiatief daarvoor berustte bij de Keizer die daar soms van afweek. Het Gulden Vlies
bleef ondanks deze versobering hoog in aanzien en de Keizers hebben de Orde als instrument gebruikt om de hoge adel en ook buitenlandse staatshoofden
aan zich te binden. Koning George IV van het Verenigd Koninkrijk werd in juni 1814 met het Gulden Vlies gedecoreerd. Toch werd deze protestantse
Vorst nooit werkelijk vliesridder omdat hij als niet-katholiek niet tot de eedaflegging kon worden toegelaten. De 880e vliesridder wordt in de "liste
nominale" beschreven als ontvanger van de versierselen "à titre honoraire et sans être admis au serment".

De Orde bleef steeds het karakter houden van een persoonlijke band tussen de chef van het Huis Habsburg en de ridders, vrijwel zonder uitzondering
Hongaarse magnaten en machtige edelen uit Bohemen, Italië en Oostenrijk. Het symbool van de Orde is een klein gouden ramsvacht met kop en poten,
door een ring gehaald, hangend aan een gouden keten, waarvan de 52 schakels het Bourgondische vuurslagmotief vertonen. De naam van de Orde verwijst
waarschijnlijk naar de Griekse mythologie. Een Gulden Vlies komt voor in de sage van Jason en de Argonauten die het Gulden Vlies moesten bemachtigen,
een gouden ramsvacht. Het is onduidelijk waarom Filips de Goede niet voor een meer gebruikelijk bijbels thema of voor een heilige koos toen hij de naam
en het kleinood van zijn Ridderorde vaststelde. Er zijn achteraf meerdere verklaringen gegeven. Het gulden vlies zou suggereren dat de Bourgondische
dynastie afstamde van de Trojanen en er is, eveneens achteraf, ook een bijbelse verwijzing gevonden in het Oude Testament.

De eerste kanselier van de Orde, Jean Germain, bisschop van Chalons verwees naar een passage in Richteren waar Gideon een ramshuid op de grond
moest leggen en de daarop verzamelde dauw een teken Gods betekende voor zijn uitverkiezing. Deze passage, Richteren 6:37 wordt gelezen als een
aankondiging van de geboorte van Christus. De tweede kanselier, Willem de Fillastre verwees naar de vijf andere ramshuiden waarvan in het Oude
Testament sprake is. Een andere, meer politieke, verklaring voor deze naam is het feit dat Filips de Goede (Jason) zijn belangrijkste leenmannen
(de Argonauten) in een klein gezelschap plaatste waardoor deze zich belangrijker voelden dan de andere leenmannen, die niet in de orde zaten.
Zo voorkwam Filips de Goede dat zijn leenmannen in opstand kwamen en hield hij de personele unie bij elkaar.